Aug 062011

Om te voorkomen een slachtoffer te worden, zouden vrouwen zich niet als sletten moeten kleden’, zo verklaarde de Canadese politieman Michael Sanguinetti op een bijeenkomst over misdaadpreventie. Met andere woorden, als je verkracht wordt is het je eigen schuld: ‘had je je maar wat fatsoenlijker moeten kleden’. Een klassiek geval van blaming the victim. Hoewel hij later zijn excuses aanbood bleef een reactie niet uit.

Vrouwen in Toronto organiseerden op 3 april dit jaar de eerste slutwalk, een mars om te protesteren tegen seksueel geweld en de manier waarop de verantwoordelijkheid daarvoor bij het slachtoffer wordt neergelegd. De organisatoren, Sonya Barnett en Heather Jarvis, hebben bewust besloten het beladen woord ‘slet’ te gebruiken. De term heeft een negatieve lading, maar door, als gelabelde groep, het label toe te eigenen, kan je de lading veranderen. Iets dergelijks deden homo’s met de labels ‘flikker’ en ‘pot’; het waren beledigingen, maar door woorden zelf te gebruiken veranderden ze in geuzennamen. Ook ‘geus’ was immers beledigend bedoeld. Een groep van ongeveer 3000 mensen, waarvan velen ‘provocerend’ gekleed, kwam op de eerste mars af, die daardoor een groot succes werd. Het fenomeen slutwalk verspreidde zich snel, en op 4 juni werd de eerste Nederlandse slutwalk gelopen, in Amsterdam.

Man stoer, vrouw hoer

Een slutwalk is te vergelijken met de heksennachten die eind jaren zeventig ontstonden: vrouwen gingen toen de straat om te protesteren tegen seksueel geweld. Hoewel de heksennachten veiligheid op straat ’s nachts als aanleiding hadden en slutwalks kleding, is het onderliggende probleem hetzelfde: vrouwen lopen een veel hoger risico om slachtoffer te worden van seksueel geweld dan mannen, en vaak wordt de schuld dan ook nog bij het slachtoffer neergelegd: ‘wat deed je daar dan ook, midden in de nacht?’, of, ‘ja, met zo’n jurkje vraag je er natuurlijk ook wel een beetje om.’ Die opmerkingen staan dan ook niet op zichzelf, op het gebied van seks en seksualiteit bestaat er nog steeds een dubbele moraal. Het waanidee is dat mannen hun lust, eenmaal opgewekt, maar nauwelijks kunnen beheersen, en dat een vrouw die daar aan ten prooi valt het zelf wel veroorzaakt zal hebben. Mannen zouden meer behoefte hebben aan seks, en eenmaal geil mag je eigenlijk nauwelijks nog van ze verwachten dat ze zich kunnen beheersen. Je mag er als vrouw kennelijk niet van uit gaan dat mannen hun poten thuishouden, en al helemaal niet als je ’s nachts alleen over straat loopt, of als je een jurkje aan hebt. Het is hetzelfde idiote principe als met de boerka: vrouwen worden verantwoordelijk gesteld voor het gedrag van mannen. Bloot of bedekt, het is nooit goed.

Verantwoordelijkheid

Het kan zijn dat ik naïef ben, maar ik denk eigenlijk dat mannen op zich redelijke en weldenkende wezens zijn. En dat ze dus ze prima in staat zijn zichzelf te beheersen, ook als ze midden in de nacht een schaars geklede vrouw zien. Een klein deel van de mannen pleegt daadwerkelijk seksuele misdrijven, maar de hele samenleving staat bol van vreemde ideeën over seks en gender. Tot een bepaalde hoogte wordt seksueel ongewenst gedrag normaal gevonden, denk bijvoorbeeld aan fluitende bouwvakkers. Op elke straathoek hangen reclames waarin vrouwen worden afgebeeld als lustobject. Seksisme en seksueel geweld worden afgedaan met de loze kreet ‘boys will be boys’, denk maar aan de zaak-DSK. Daders worden op deze manier niet verantwoordelijk gehouden voor hun eigen gedrag. Het argument van uitlokking gaat daarnaast om een andere reden niet op: niet seks is het doel van verkrachting, het gaat om het uitoefenen van macht. Onvrijwillige seks is extreem vernederend, en maakt de dader machtig. Een verkrachter geilt niet op korte rokjes, hij geilt op macht.

Door nadrukkelijk de beladen term ‘slet’ te gebruiken willen de organisatoren de discussie over verantwoordelijkheid en zelfbeschikking naar voren schuiven. Wie gaat er nou eigenlijk over wat vrouwen met hun lichaam doen – de vrouwen zelf of iemand anders? – en wie is er verantwoordelijk voor seksueel geweld: het slachtoffer of de dader? De organisatoren van de Amsterdamse slutwalk zien hun doel als ‘laten zien dat we ons niet meer laten veroordelen voor hoe we onze seksualiteit beleven, en ons daardoor onveilig laten voelen ‘en’ dat we ons seksleven in eigen hand nemen.’ De provocerende aanpak lijkt succesvol te zijn: de eerste Canadese slutwalk werd gevolgd door vele anderen, en er is veel aandacht van de media. Via internet en sociale media wordt informatie makkelijk en snel verspreid, wat waarschijnlijk een belangrijke verklaring is voor het succes van de slutwalks. Het probleem van seksueel geweld is niet nieuw, de protesten ertegen ook niet, maar het is hoopgevend dat zo veel mensen weer de straat op gaan om er iets tegen te doen.

www.slutwalk.nl, www.heksennacht.nl

Aug 062011

Zijn mensen die zeggen dat prostitutie ‘een baan als alle andere is’, seksueel bevrijde denkers of wegrationaliserende oogklepdragers? Waarom is de meerderheid van de prostituees vrouw? Wat gaat verborgen achter het begrip ‘sekswerker’? Wat is het effect van het bestaan van een systeem van prostitutie? En welke ideologie beschermt het bestaan van dit systeem?

Met zo weinig linkse en feministische denkkaders en discussie over dit onderwerp beschikbaar in de samenleving is het niet gemakkelijk om er een serieuze mening of discussie over te kunnen hebben. Neoliberale waterdragers, een volledig uitverkocht media-apparaat en antifeministische mannen zijn te goed vertegenwoordigd en hebben een hegemonie bereikt waardoor we sommige meningen haast niet meer kunnen denken.

Is er eigenlijk nog iemand tégen prostitutie tegenwoordig? Met al die hippe films en boeken –in wat je het middenklasse-callgirl genre kunt noemen – die subtiel en onsubtiel prostitutie ten hemel prijzen als het meest bevrijdende en /of glamoureuze wat je als vrouw maar kan doen en pooiers die vlot de media bespelen, lijkt het alsof iedereen het erover eens is: prostitutie is best wel leuk, romantisch, een eigen vrije keuze. In sommige Ladyfests (feministische bijeenkomsten met muziek en workshops) geven pooiers nu workshops over pornografie en prostitutie als bevrijdende vormen van seksualiteit. In plaats van beschouwd te worden als de uitbuiters van vrouwen, krijgen ze spreektijd op feministische plaatsen – hoe heeft de wereld zo kunnen veranderen?

En dan nu: de realiteit

Prostitutie is een van de meest verschrikkelijke, uitbuitende, dodelijke en vrouwenhatende systemen in deze wereld. Er is een hiërarchie van uitbuiting en dwang in prostitutie. Volgens cijfers van www.prostitutionresearch.com is aan de top van de sector ongeveer twee procent van het totaal aantal vrouwen werkzaam. Deze vrouwen krijgen snel veel geld van enkele mannen en kunnen binnen korte tijd stoppen of worden uitgekocht door een man die hen ondersteunt. Daaronder vinden we zo’n 38 procent die werkzaam is in de prostitutie als gevolg van geldnood en omdat prostitutie voor hen een optie werd gemaakt door een geschiedenis van seksueel misbruik, incest en dergelijke. En daaronder komt 60 procent van de vrouwen die het armst zijn, die enorm beperkte keuzes hebben in hun leven en vaak fysiek gedwongen worden tot prostitutie.

Het meest walgelijke aan het debat rond prostitutie is dat deze onderklasse van de meest uitgebuite prostituees bijna nooit aan het woord komt, hoewel zij de overgrote meerderheid van vrouwen in de prostitutie vormen. Vrouwen die door mensenhandel naar westerse landen zijn gebracht en worden opgesloten en/of fysiek bedreigd, kunnen helemaal niet aan het woord komen (tenzij achteraf als ze kunnen ontsnappen). Het is meestal de geprivilegieerde bovenste twee procent van de vrouwen die spreken of boeken schrijven.

Tegenwoordig gebruikt men vaak de term sekswerker om te spreken over prostituees. Er zijn ook pooiers die zich uitgeven voor sekswerker en op die manier het debat proberen te beïnvloeden – ze krijgen vaak een sympathiek luisterend oor want het zijn ‘mensen uit het beroep’, ‘prostituees die zelf aan het woord komen’, enzovoort. Het doet sterk denken aan managers die eigenlijk alleen maar bezig zijn om de aandeelhouders meer winst te bezorgen maar zich toch proberen voor te stellen als een werknememer als ieder ander.

De opkomst van de neoliberale globalisering heeft ook een impact gehad op prostitutie. Om maar enkele voorbeelden te geven: er is steeds meer ‘sekstoerisme’ waarbij mannen met geld naar andere landen reizen; de ecologische crisis draagt bij tot problemen van armoede en gedwongen verhuizing en heeft bijgedragen tot een enorme toename van prostitutie. De omstandigheden zijn verschrikkelijk, prostituees lopen extreem veel kans op verkrachting, soa’s, mishandeling en geweld, zowel door de pooiers als de klanten.

Studies geven verschillende cijfers, maar altijd blijkt dat een overgrote meerderheid van vrouwen (80–95 procent) dit beroep niet zou uitoefenen als zij een andere keuze hadden. Als prostituees gevraagd wordt of ze zouden willen dat hun dochters dit beroep uitoefenen, antwoorden ze allemaal nee. Er is een groot verband tussen seksueel misbruik op jonge leeftijd en prostitutie. Heel veel prostituees hebben last van een post-traumatische stressstoornis en andere geestelijke problemen, veroorzaakt of getriggerd door het werk dat ze moeten doen.

Bewuste manipulatie: de pooier

De groep van pooiers is divers en uit op maximale winst; daarvoor kiezen ze op zeer rationele wijze de methoden die nodig zijn om dat doel te bereiken. Ook pornografie past netjes in het plaatje: op die manier kunnen pooiers de vrouwen die ze gebruiken niet slechts enkele keren verkopen maar tienduizenden keren. Prostituees worden vaak gefilmd waardoor hun pooiers nog meer winst kunnen realiseren, langs de andere kant is pornografie steeds gewelddadiger geworden en vragen klanten – die meestal ook naar pornografie kijken – van prostituees steeds meer om extreme, lichaamsbeschadigende seksuele handelingen.

Joe Parker stelt in How prostitution works, dat veel mensen zich vaak geen echte voorstelling kunnen maken van hoe pooiers werken. Die realiteit is zonder twijfel gruwelijk: hoe pooiers zich organiseren, hoe ze vrouwen zoeken die bijvoorbeeld al zware ervaringen hebben gehad in hun jeugd, seksueel misbruik, geestelijke problemen, etc. Hoe ze vrouwen breken en voorbereiden op prostitutie. Het is een vrij ontnuchterende kijk voor mensen die nog geloven in de glamour die de media ons voorspiegelen. Het is noodzakelijk om de discussies over ‘vrije keuze’ in hedendaagse linkse en feministische kringen te verbinden met deze realiteit.

In enkele landen, zoals in Nederland, heeft men gepoogd de omstandigheden voor prostituees te verbeteren door een verregaande legalisering. Ondertussen is duidelijk dat dit beleid gefaald heeft. Pooiers en klanten hebben geprofiteerd van deze legalisering. Pooiers werden plots zakenlui als een ander. Hun vermogen om winst te maken schoot de hoogte in, omdat ze nu meer dan vroeger legaal konden werken. Achteloos verklaart een pooier in de documentaire Not For Sale dat zijn doel is om 500 bordelen te openen. Zonder een enkele kritische noot wordt in de zelfverklaarde Belgische ‘kwaliteitskrant’ De Morgen bordeeluitbater Theo Heuft voorgesteld als een sympathieke zakenman.

Een belangrijk probleem is dat we te weinig naar de rol van de klant kijken in het voortbestaan van dit systeem. Klanten zijn mensen die hun eigen plezier als absoluut belangrijk stellen en de wensen van de prostituees volkomen negeren. Om naar bordelen te gaan, wetende dat de meeste vrouwen daar gedwongen of toch zwaar tegen hun zin werken, vereist een extreme verdringing. Maar de hedendaagse ideologie van de vrije keuze maakt dit verdringen gemakkelijker, net als het feit dat het beroep in sommige landen legaal is – als de overheid het ook erkent, wat kan er dan nog mis zijn? En veel boeken en films zeggen dat prostituees een luxeleventje leiden en er zelf voor kiezen, niets aan de hand dus…

Karina Schaapman beschrijft in Hoerenlopen is niet normaal overtuigend het falen van het Nederlandse beleid. Het is duidelijk dat een andere aanpak nodig is.

Individualisme

Prostitutie is geen baan als alle andere. Mensen die denken dat dit wel zo is, zijn mensen die de problemen in die industrie niet hebben gezien, die niet de lijken en de gewonden hebben kunnen tellen, de dwang en de vrouwen die gebroken, gemanipuleerd en ‘klaargemaakt’ zijn door pooiers. Het is veel gemakkelijker om jezelf iets wijs te maken, te geloven in een wereld waarin vrouwen er zelf voor kiezen, voor een manier om een beetje edgy en empowered om te gaan met hun seksualiteit, dan te moeten geloven in een wereld waarin honderdduizenden vrouwen door allerlei omstandigheden gedwongen worden of hun keuzes gereduceerd zien en zo in de prostitutie terecht komen.

Natuurlijk kiezen mensen soms voor prostitutie. Dat is nogal logisch: als je van bepaalde groepen van de wereldbevolking hun keuzes inperkt, hun identiteiten kneedt en hen ondergeschikt maakt via allerlei vormen van onderdrukking – ja, dan zullen heel wat vrouwen de keuze maken om in de prostitutie te stappen. Of ze die keuze ook zouden maken in een wereld waarin er geen economische noodzaak of dwang zou zijn, een wereld waarin vrouwen niet als minderwaardig behandeld werden en minder keuzes hebben in het werk dat ze kunnen doen, dat is iets anders.

Het is zeer pijnlijk om te zien dat de neoliberale ideologie die ons omringt ook de geesten van linkse en feministische mensen binnendringt. We trappen in de valkuil te geloven dat individuen, vrij van de impact van allerlei sociale krachten, volledig vrij zijn hun leven te leiden, dat ze vrije keuzes maken, niet gehinderd door structurele barrières. Op die manier ontstaat een karikatuur van de realiteit: mensen bestaan niet zomaar als individu los van elkaar. Allerlei sociale mechanismen werken in op mensen en beïnvloeden hen en daardoor komen sommigen bijvoorbeeld vaker dan andere terecht in bepaalde beroepen.

Het neoliberale idee van individuele vrijheid wordt gebruikt als stok om massabewegingen en kritische analyses op groepsniveau mee te slaan. Die kunnen niet meer, dat denken is ‘uit de tijd’, het wordt niet meer aanvaard. Door die ideologische omkering zijn feministes die kritisch staan tegenover bepaalde praktijken – of dat nu het huwelijk is of carrièrefeminisme of pornoficatie – beschuldigd van censuur en het inperken van de vrijheid van vrouwen. De bankiers, pooiers en pornomakers daarentegen zijn plots degenen die die meest individuele expressie helpen mogelijk maken

Feministische blik

Wat maakt de uitbuiting in prostitutie eigenlijk anders dan de uitbuiting die mensen verduren door bijvoorbeeld werk bij een bank of een hamburgermultinational? Vanuit een links perspectief hoeven we niet te doen alsof dat allemaal hetzelfde is: er is een belangrijk verschil tussen het verkopen van je arbeidskracht en het verkopen van je lichaam. Dit laatste maakt prostitutie eerder een vorm van slavernij dan van ‘gewone’ loonarbeid.

Van de andere kant zou je prostitutie als een zeer normaal verschijnsel kunnen beschouwen binnen het kapitalisme. Steeds meer wordt alles tot koopwaar gemaakt en uiteindelijk betekent dit dat alles een product kan zijn dat gekocht en verkocht kan worden. Eigenlijk is

prostitutie de meest ‘normale’ vorm van seks volgens kapitalistische criteria. Als linkse mensen moeten we beseffen dat dit niet iets is om te vieren maar iets dat we moeten bestrijden.

Gedwongen seks is geen seks maar verkrachting. Alle vormen van dwang tellen hierbij mee: rechtstreekse fysieke dwang, dwang door de dreiging met geweld, economische dwang en allerlei subtiele sociale mechanismen. Feministes werken aan een bevrijdende kijk op seksualiteit en zien gedwongen vormen van ‘seks’ als hindernissen voor echte seksuele bevrijding.

Prostitutie is een fenomeen waarin twee onderdrukkingen op een unieke manier samenkomen: economische onderdrukking, die de meeste mensen in het kapitalistische systeem ondervinden, en de onderdrukking op basis van sekse / seksualiteit, die vrouwen treft. Het is geen toeval dat het overwegend vrouwen zijn die in de prostitutie terechtkomen en de mannen die in de prostitutie te vinden zijn vaak uit lagere sociale klassen of andere zwakke posities komen.

Het is tevens zo dat prostituees vaak ook nog mishandeld worden door de politie. Veel mensen zijn daarom voorstander van een systeem waarbij de vrouwen legaal hun werk kunnen doen. Tezelfdertijd, zoals in het Zweedse model, kunnen we voorstander zijn van criminalisering van de klant annex uitbuiter. Feministes zijn voor de bevrijding van alle vrouwen. Maar dat wil niet zeggen dat we niet tegen pooiers, klanten of prostitutie als systeem kunnen zijn. Prostitutie als geheel is een systeem dat mee de onderdrukking van vrouwen in stand houdt.

Als links moeten we verzet bieden tegen een systeem waarin uitbuiting goedgepraat wordt als een vorm van werk, waarin een bepaalde groep verhandeld kan worden, waarin uitbuiting met allerlei neoliberale excuses toegedekt wordt. Wetten die het kopen van seks, het uitbuiten van prostituees dus, criminaliseren geven op zijn minst een signaal dat het bestaan van dit systeem niet acceptabel is. Educatie is een ander belangrijk element in een strategie voor een wereld zonder prostitutie. Het aanpakken van vrouwenhandel, onrechtvaardige economische structuren en seksistische systemen in onze wereld zijn noodzakelijk om echt een einde aan prostitutie te kunnen maken. Prostitutie als geheel, als systeem, geeft een krachtig signaal naar de buitenwereld, namelijk dat het aanvaardbaar is dat er een kaste van vrouwen bestaat die verhandeld en verkocht kunnen worden voor het gebruik en het plezier van mannen. Dit systeem moet verdwijnen willen we ooit in een wereld kunnen leven zonder geweld, zonder uitbuiting en zonder vrouwenhaat. 

Aug 062011

De vraag is niet of we moeten veranderen, maar hoe we veranderen. En vooral: hoe we sneller omschakelen naar een duurzame samenleving. Die vraag stond centraal op het jubileumcongres van milieudefensie eind mei. Een bijdrage aan een debat naar aanleiding van 40 jaar Milieudefensie.

‘In 2050 hebben we het verspeeld, verknald. De Aarde is op. In 2050 hebben we de grens bereikt. Dat was de boodschap van de Club van Rome veertig jaar geleden.’ Met die woorden opende Hans Berkhuizen, directeur van Milieudefensie, het jubileumcongres. ‘Bij Milieudefensie zijn we mensen met hoop en geloof in een bereikbare groene toekomst. Datzelfde optimisme, twintig jaar geleden, was onze reactie op het rapport van de Club van Rome. Ons ‘Actieplan Nederland Duurzaam’ toonde aan dat alle zeven miljard mensen, stuk voor stuk, aangenaam kunnen leven – met behoud van natuur en biodiversiteit.’
En hij vervolgde: ‘Waarom worden we niet steeds groener en eerlijker? Zijn het de multinationals, die alleen aandacht hebben voor hun aandeelhouderswaarde? Volgens mij moeten we ook naar onszelf kijken. Naar onze manier van consumeren. Van meer willen, van rupsje nooit genoeg. Dat wil ik wel eens op de politieke agenda zien.’ ‘De krachten bundelen, maatschappelijke organisaties, ambtenaren, bedrijven, politici, burgers… Samen kan het! Samen met u zie ik aan de horizon wel die groene samenleving.’
Dit openingswoord laat enerzijds de goede kanten zien van de milieubeweging en anderzijds de valkuil waar steeds opnieuw in wordt getrapt. Kritische vragen stellen en creatieve oplossingen bedenken is altijd een van de sterke kanten geweest van de milieubeweging. Hun vragen en alternatieven hebben, letterlijk, veel in beweging gebracht en veel veranderd. Maar anderzijds is er de valkuil om om het grotere geheel, de verbanden waarin mensen leven, uit het oog te verliezen.

Denken en dromen

Egbert Tellegen, een van de oprichters van Milieudefensie, vind het tijd om weer meer aandacht te geven aan dit grotere geheel: het rapport van de Club van Rome, een van de inspiratiebronnen van Milieudefensie, stelde volgens hem eigenlijk het kapitalisme ter discussie. Hij betreurt het dat het maatschappijkritische besef uit het milieudebat is verdwenen. Er is te ver doorgeslagen in de behoefte om vooral positieve boodschappen te brengen en oplossingen voor ecologische problemen te zoeken in de techniek, zonder de bestaande kaders ter discussie te stellen. We moeten weer durven dromen stelt hij.

Ook Wouter van Dieren komt op voor een gedegen analyse van de oorzaken van de milieuproblematiek. Voor Van Dieren is de ideologie van de vrije markt het grootste obstakel dat de milieubeweging moet proberen te overwinnen: ‘de markt-isten zijn erger dan de marxisten van destijds. Waar is het grote denkwerk om dat feilloos bloot te leggen?’
Twintig jaar geleden durfde Milieudefensie nog te dromen. Het rapport ‘Nederland Duurzaam’ bevatte een schets van hoe Nederland er nu uit zou moeten zien. Maar ook in dit rapport werd onderschat hoe hardnekkig en diep doordrongen het systeem van de vrije markt en het maken van winst is. Er wordt te makkelijk gedaan over het veranderen van het bedrijfsleven, zoals overheidsregulering door ‘ecotaksen’, voorlichting en druk door consumenten. Maar het bedrijfsleven lijkt vooral zichzelf te moeten veranderen. Aan de tegenstelling tussen werken aan duurzaamheid en het winststreven wordt voorbij gegaan. Bedrijven streven nu eenmaal naar winst en ontwikkelen die producten die de grootste winsten opleveren. De ontwikkeling en uitbreiding van openbaar vervoer stagneert niet zomaar, maar omdat het bedrijfsleven dit bewust tegenwerkte. In de Verenigde Staten rijden nu minder treinen en trams dan in de eerste helft van de twintigste eeuw – openbaar vervoer is bewust de nek om gedraaid. Met winsten uit het openbaar vervoer werden door overheden  wegen aangelegd omdat er in benzine- en autoverkoop een goudmijn voor winst open lag. Hoe de maatschappij er nu uit ziet kwam niet vanzelf, gevestigde belangen waren een belangrijke drijfveer.
Groene en grijze wollen sokken
Die belangen en het soort samenleving waar ze deel van uit maken zijn niet veranderd. Nog steeds draait het om economische groei, om winst maken en consumentisme. Misschien omdat grote mobilisaties tegen onder andere kernenergie, de uitbreiding van Schiphol, de Maasvlakte en de aanleg van de Betuwelijn geen resultaat brachten ging een deel van de milieubeweging op zoek naar een tussenweg. ‘Groene’ kapitalisten lijken voor dit deel van de milieubeweging de nieuwe achterban te worden: ‘if you can’t beat them, join them.’

Er wordt aansluiting gezocht bij leiders uit het bedrijfsleven als Paul Polman van Unilever. Die worden neergezet als inspirerende voorbeelden die, om hun winsten veilig te stellen, op energie en grondstoffen besparen omdat deze schaarser en duurder worden. Ze geven hun producten meerwaarde door ze als ‘duurzaam’ op de markt te brengen. En meer waarde betekent meer winst. In dit wereldbeeld gaan de positieve en leuke oplossingen prima samen met nog meer geld verdienen.
Het lijkt alsof het vanzelf gaat, dit ‘vergroenen’ van het bedrijfsleven. De praktijk ziet er een stuk anders uit. Een van de redenen waarom zoveel grote cacao-producenten bijvoorbeeld onlangs in de groene chocola stapten is dat er jaren niet geïnvesteerd is in de productie van cacao, niet in de plantages, niet in de boeren. Er moest wel iets gebeuren om de winsten veilig te stellen en als dat kan door duurzame chocola te produceren, prima.

Dus dan maar geen groene chocola meer kopen, niet positief zijn over deze ontwikkeling? Natuurlijk niet. Het feit dat deze ontwikkeling mogelijk is komt door druk van boerenorganisaties, vakbeweging en  milieubeweging: zij organiseerden de mensen in de cacao en hadden de alternatieven. Zonder deze druk hadden de ‘groene’ captains of industry hun beleid niet gewijzigd. De kracht van de milieubeweging ligt dus niet bij het overreden van de bedrijfsleiding maar in deze bewegingen die druk uit kunnen oefenen. Bij het organiseren van dit soort bewegingen, en overleg voeren vanuit de kracht van deze bewegingen, moet dus de prioriteit liggen.

Overleggen en prijzen
Bij het organiseren van bewegingen die daadwerkelijk druk uit kunnen oefenen zitten twee dingen in de weg. Ten eerste is er de professionalisering van de milieuorganisaties en hun afhankelijkheid van subsidies. Door het eerste loopt de milieubeweging het risico in een afgesloten bubbel terecht te komen en zich te richten op overleggen met topambtenaren en beleidsmakers in plaats van in beweging komen, tussen de mensen. De subsidieafhankelijkheid, een resultaat van een zwakke beweging, maakt het moeilijk consequent te zijn. Vogelbescherming wijt het opgeven van het verzet door de Zeeuwse Milieufederatie tegen de inpoldering van de Hedwigepolder aan hun afhankelijkheid van subsidies van de provincie Zeeland. Milieuorganisaties worden nu door rechts weggezet als subsidiezuigers, volkomen onterecht vergeleken met de echte profiteurs van subsidies: grote bedrijven als PTT en Tom Tom vragen een miljard subsidie om hun plan voor file bestrijding uit te werken terwijl Milieudefensie voor een fractie van dat bedrag een eigen mobiliteitsplan maakte: het rapport ‘Bouwen aan een groene metropool’. Maar om echt sterk te staan, moeten we als milieubeweging onze onafhankelijkheid bewaren.

Het tweede obstakel is de strategie om te pogen mensen hun gedrag te laten veranderen, via de omweg van belastingen en beprijzing. We moeten af van het idee dat het bestedingsgedrag van individuen een reden is om iets wel of niet te doen. Dit idee versluiert de politieke keuzes die gemaakt worden. Mark Rutte stelt in zijn ‘Groen Rechts manifest’ dat de milieubeweging alles wat leuk is duur maakt en belast. We moeten juist benadrukken dat rechts alles wat leuk is voorbehoud voor de elite. Economische groei heeft de inkomensongelijkheid vergroot en de rijken zijn niet het voorbeeld van duurzaamheid – terwijl zij toch meer dan wie ook de keus hebben hun groene geweten te volgen.

Organizing
Vroeger kregen we ook de gewone man en vrouw de straat op. Logisch, want zij zaten in de stank van de Rijnmond of woonden op de gifgrond van Lekkerkerk. Els Bos van de FNV constateerde op het congres dat Milieudefensie het woord ‘werknemer’ niet eens kent. Vaak wordt, als het gaat om het aanspreken van bedrijven op hun producten of de manier waarop ze worden gemaakt, buiten de vakbeweging om gewerkt, zowel hier als in de Derde Wereld. De ‘schone kleren campagne’ is een van positieve uitzonderingen waar meer aandacht voor zou moeten zijn. Er zijn vaak genoeg mensen te vinden die vragen stellen bij het ecologische beleid van het bedrijf waar ze bij werken. Deze mensen zouden we samen met de vakbeweging in kunnen schakelen – dat zet meer zoden aan de dijk dan het nalopen van zogenaamde ‘groene leiders’ die, als de er ergens anders meer winst gemaakt kan worden, meteen overstag zullen gaan.

Weer gewone mensen overtuigen, samenbrengen en in beweging brengen dus. Het eerste begin van het verwerven van een nieuwe achterban gaat altijd moeilijk maar is noodzakelijk voor het opbouwen van een nieuwe milieubeweging. Het Rotterdams Milieucentrum probeert bijvoorbeeld mensen in de oude wijken en migranten te benaderen. Een vernieuwde milieubeweging moet mensen niet alleen wijzen op hun eigen gewoontes maar ook op wat ze samen kunnen doen: het gaat niet alleen om je eigen energiegebruik maar ook om samen bij de huisbaas aan te dringen op meer duurzame verwarmingsketels.

Bij de vakbeweging noemen ze een dergelijke aanpak van mensen samenbrengen op basis van hun gedeelde belangen, om hen collectief in beweging te brengen, tegenwoordig organizing. Dit concept dringt ook binnen bij de milieubeweging. Jammer genoeg verwijzen ze dan vaak naar campagne van Obama terwijl een veel positiever voorbeeld  onder hun neus ligt: de staking en acties van de schoonmakers. In dit voorbeeld ligt het soort positiviteit die de milieubeweging nodig heeft.

Aug 062011

Eerste stappen

Okategoriserade Kommentering avstängd

Op 29 juni staakte het openbaar vervoer in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Honderden actievoerders trokken naar Den Haag om hun banen te verdedigen en op te komen voor goed openbaar vervoer. Het waren niet de eerste acties in het Ov en het zullen ook niet de laatste zijn. De inzet is namelijk veel meer dan het OV in de drie grote steden.

Goed openbaar vervoer is van cruciaal belang en dit kabinet is van plan daar met een grove bijl op in te gaan hakken: volgens het regeerakkoord moeten de drie grote steden 120 miljoen euro bezuinigen op het openbaar vervoer. Voor een stad als Amsterdam zou dat volgens het Gemeentelijk Vervoersbedrijf (GVB) 30 tot 40 procent minder openbaar vervoer betekenen. Welke lijnen er precies weg zouden vallen is nog niet bekend, maar het ligt voor de hand dat de minst winstgevende routes als eerste zullen verdwijnen. Dat zijn vooral lijnen door woonwijken, ver van centrale knooppunten als treinstations. Als het kabinet zijn zin krijgt zal het OV in Amsterdam zich concentreren op het vervoer van de massa’s toeristen en forenzen terwijl bijvoorbeeld ouderen in de kou blijven staan.

Niet alleen wil de regering bezuinigen op het OV, ook wil zij de drie grote steden verplichten het OV aan te besteden. Nu wordt het contract om het OV te verzorgen nog ‘onderhands’ aan de plaatselijke vervoersbedrijven gegund. Volgens de regering zal aanbesteding, dankzij concurrentie en de magie van de vrije markt, tot goedkoper OV leiden omdat verschillende bedrijven zullen wedijveren om het contract.

Maar het OV verzorgen is iets heel anders dan het verkopen van televisies. In de drie grote steden reizen jaarlijks honderden miljoenen mensen met het OV dat daarmee een cruciale rol speelt in de sociale samenhang en de bereikbaarheid van de stad. Dat zie je niet meteen terug in de winstmarge op een ritje met de bus maar een leefbare stad kan niet zonder. Wordt het OV openbaar aanbesteed, dan verliezen lokale bedrijven onvermijdelijk de concurrentieslag met internationale giganten als het Franse Veolia of de Deutsche Bahn. Deze bedrijven kunnen het zich veroorloven om onder de prijs te gaan zitten en enige jaren tegen verlies OV aan te bieden. De lokale vervoersbedrijven zullen de concurrentie niet aankunnen en verdwijnen, waardoor het nieuwe bedrijf een quasi-monopolie positie verwerft en de handen vrij heeft om door het schrappen van lijnen, slechtere arbeidsvoorwaarden en hogere prijzen winst te gaan maken.

Nieuwe aanpak

Reden genoeg dus voor het OV-personeel om in actie komen. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat 29 juni een politieke staking was: het gaat niet om een conflict tussen werknemers en hun bedrijf, maar om verzet tegen regeringsplannen. Dat is een extra moeilijkheid voor de actievoerders omdat de rechter eerder geneid is in te grijpen bij politieke stakingen. Dat maakt het cruciaal dat de actievoerders de publieke opinie aan hun kant krijgen en houden. Daarom is ook gekozen voor een variëteit aan actiemiddelen – een keer een 24-uurs staking, de andere keer een staking in de daluren en een manifestatie in Den Haag – om reizigers zoveel mogelijk te ontzien en de boodschap zo duidelijk mogelijk te maken. Tot nu toe zit het wel goed met de publieke steun. Bij stakingen in het OV spreekt deze sympathie niet voor zich. De actievoerders bij het Amsterdamse GVB, de Haagse HTM en de Rotterdamse RTM hebben dat goed aangepakt. Door over een langere periode naarmate in de loop der tijd meer en meer bezuinigingsmaatregelen duidelijk werden, een aantal actiemomenten in te plannen hebben steeds meer mensen, meer sympathie gekregen.
Voor de vakbeweging is nu een van de grote uitdagingen om mensen in beweging te brengen. Vanaf het begin was er onder het personeel een grote actiebereidheid maar met een regering die zo vastbesloten een zo rechtse koers vaart zijn de oude methodes niet meer vanzelfsprekend. We moeten niet alleen de meest rechtse regering ooit verslaan maar ook het publiek aan onze kant houden. Daarvoor is actieve betrokkenheid nodig, je intekenen als staker en verder niks doen is niet genoeg. Staken is meer dan alleen wat geld inleveren. Door bijvoorbeeld mensen te mobiliseren om mee te gaan demonstreren in Den Haag wordt nu al ebegonnen met meer mobiliserende actiemiddelen.

Ook wat dit betreft kunnen lessen getrokken worden uit de schoonmakersstaking van vorige jaar. Die staking werd gekenmerkt door actieve betrokkenheid van de stakers en een hoog publiek profiel. Hiermee verwierven zij veel aandacht en sympathie voor hun zaak – zaken die ook voor succesvolle acties in het OV onontbeerlijk zullen zijn. Natuurlijk bestaan er grote verschillen tussen de acties in het OV en de schoonmakersstaking. Met de schoonmakersstaking deden veel mensen mee die voor het eerst in hun leven staakten en daarom stonden ze ook meer open voor een alternatieve aanpak. De schoonmakers hadden weinig te verliezen, ze kregen weinig betaald en werden respectloos behandeld. Bij het OV liggen de verhoudingen anders. De vakbond is er relatief sterk en mensen verdienen meer. Het is een minder kwetsbare groep maar dit gevoel van kracht kan ook een valkuil zijn. Het kan leiden tot een houding van; ‘we gooien de boel plat en gaan afwachten tot we onze zin krijgen’. Dat is een manier van denken die onvoldoende is en ophoudt bij de poort van het bedrijf. De regering zal proberen om de publieke opinie tegen de acties te doen keren en desnoods via de rechter acties verbieden.

Samenbrengen

Als het OV alleen staat, zal het het gevecht met de regering verliezen. Er zijn bondgenoten nodig, om te beginnen op lokaal vlak. Lokale comités kunnen bijvoorbeeld acties organiseren bij haltes. Ouderenorganisaties en studenten zijn voor de hand liggende bondgenoten. Het moet zichtbaar worden dat dit niet alleen een gevecht is van de werknemers van het OV voor het behoud van hun banen en arbeidsomstandigheden maar van de hele bevolking voor een bereikbare, leefbare stad. De manifestatie van 7 juni bij de Stopera in Amsterdam was hier een goed begin van. Het Amsterdamse Steuncomité Sociale Strijd, een verband van mensen uit sociale organisaties, politieke partijen, vakbonden en actiegroepen, is een voorbeeld van het soort bondgenoten dat nodig is en speelde een belangrijke rol in het organiseren van deze manifestatie. Hier waren niet alleen de werknemers van het OV aanwezig maar mensen uit alle groepen die de dupe dreigen te worden van de afbraak van het OV. De manifestatie maakte de steun van het publiek voelbaar wat heel belangrijk is voor de motivatie om door te gaan. Het zal moeilijk worden deze steun uit te breiden maar zeker niet onmogelijk.

Veel mensen zijn immers boos over het regeringsbeleid – maar nu schrikken ze vaak nog terug voor actievoeren, er is gewoon weinig ervaring. Daarnaast is het polderen niet beperkt tot de bonden maar ook tot allerlei belangengroepen en buurtverenigingen. Die knop gaat niet zo snel om maar blijven hangen in het poldermodel leidt tot zelfvernietiging. Het is niet alleen onwil en een gebrek aan ervaring die het moeilijk maken om mensen in beweging te brengen. Veel sociale bewegingen zijn verzwakt door jarenlang teveel de nadruk te leggen op overleggen en vergaderen en moeten nu eerst weer hun eigen organisaties opbouwen.

In die situatie van groeiende onvrede en veel twijfel en onvermogen om in actie te komen spelen de de OV-acties een belangrijke rol. Ze kunnen een ander klimaat creëren, mensen inspireren om ook in beweging te komen. Verspreid over verschillende sectoren nemen de acties toe maar hoe succesvol ze zullen zijn hangt af van de vraag of en hoeveel steun ze kunnen verwerven en of ze elkaar zullen weten te vinden en steunen. Een gezamenlijke actie ergens rond Prinsjesdag is eeen logische volgende stap maar dit zal niet vanzelf gaan. De bonden moeten een front vormen en ook daadwerkelijk gaan werken aan massale acties.

De bezuinigingen op het OV gaan miljoenen mensen raken en zijn een duidelijk voorbeeld van het asociale marktdenken van de regering. Kunstenaars, trambestuurders, ambtenaren, ouderen, studenten, verplegers, we worden allemaal gepakt door dit kabinet. Langzaam lijkt er echter iets te schuiven, mensen worden wakker en vooral bozer. Een vakbond die weer doet waar een vakbond voor bedoelt is, de belangen van werkende mensen verdedigen, is harder dan ooit nodig. Er lijkt nu momentum in de acties voor het OV zitten, het is een kwestie van doorpakken. Als we dat doen, dan kunnen deze acties een voortrekkersrol spelen in de opbouw van het verzet tegen deze regering.

Aug 062011

Meer dan de poppetjes

Okategoriserade Kommentering avstängd

Bij vorige presidentverkiezingen viel de Franse antikapitalistische partij Ligue Communiste Révolutionnaire op met de jonge postbode Olivier Besancenot als kandidaat. Ondertussen is de LCR opgegaan in de NPA (Nouveau Parti Anticapitaliste) maar liever dan door te gaan met dezelfde, bekende kandidaat zal Besancenot plaatsmaken voor vakbondsactivist Philippe Poutou als een ‘antikapitalistische, feministische, ecologische, antiracistische en internationalistische kandidaat.’

Daarmee maakt de NPA het zichzelf niet gemakkelijk maar het is een bewuste keuze. Zoals Besancenot in een open brief schreef: ‘deze beslissing zou niet als een verrassing mogen komen. Al sinds enkele jaren liet ik weten niet van plan te zijn om een abonnement op de presidentsverkiezingen te nemen en te verworden tot een eeuwige kandidaat van radicaal links. Sinds een aantal maanden behoor ik ook tot diegenen die de organisatie waarschuwen voor de risico’s van een te sterke en overdreven personalisering. Dat ideeën ingebed zijn in een bepaalde en tijdsgebonden sociale en politieke context en dat het dus noodzakelijk kan zijn om bepaalde taken voor een specifieke periode te delegeren aan een publieke vertegenwoordiger is één zaak. Iets anders is het wanneer je het mediaspel gaat spelen als vervangmiddel voor echte grassroots acties in de klassenstrijd.’

Met de kandidatuur van Poutou wil de NPA laten zien wat belangrijker is voor antikapitalisten: niet de uitslag in het stemhokje maar de sociale strijd daarbuiten, op straat, op de werkvloer en elders.

Aug 062011

Vijf juli werd in Amsterdam het gekraakte culturele centrum ‘Schijnheilig’ ontruimd. In Schijnheilig werden filmavonden, culturele evenementen en debatten georganiseerd, zoals kort geleden nog het ‘Queeristan’ festival waar bijvoorbeeld de Palestijnse queer activiste Haneen Maikey sprak.

Bij de ontruiming werden tientallen mensen opgepakt, onder hen de socioloog Merijn Oudenampsen. In een artikel op joop.nl vertelde hij over zijn ervaringen; ‘een zichtbaar vermoeide hulpofficier van Justitie vertelde me tijdens mijn verhoor, dat hij zacht gezegd zijn twijfels had op welke grond ze 150 mensen hadden gearresteerd, en dat ‘hij de beslissingen niet maakte’. Tja.’ De nieuwe directeur van De Balie, Youri Albrecht, wist bij het aanschouwen van de ontruiming niks anders dan te twitteren; ‘Nu Oud-Hollands tafereel aan de P.gracht in Adam. Kraakpand ontruiming. Onder de krakers zo te horen nauwelijks 1 Nederlander #Kraaktourisme.’ Niet dat het er veel toe doet, stelde Oudenampsen terecht, maar de meeste vrijwilligers bij Schijnheilig waren Nederlanders – en hetzelfde collectief had in het verleden vrijwillig werk verricht bij de Balie. Maar ook in tijden waarin de bijl wordt gezet in alle steun voor cultuur was een beetje sympathie, laat staan solidariteit, te veel gevraagd van Albrecht die liever met de xenofobe wolven meehuilde. Oudenampsen: ‘ik zie Amsterdammers die opkomen voor culturele en politieke vrijheden, ik zie samenhorigheid, ik zie iets moois. Jij ziet toeristisch krakerstuig. Een kwestie van perspectief. Maar jij bent natuurlijk afhankelijk van subsidies uit Den Haag, wij niet. Dat verklaart misschien ons verschil van inzicht.’

Aug 062011

Vorig jaar stemde het Texas ‘board of education’ in met aanpassingen in het geschiedenis curriculum die de nadruk leggen op de ‘superioriteit van het Amerikaanse kapitalisme’ en betwijfelen of de grondleggers van de Amerikaanse republiek wel voorstander waren van een puur seculiere overheid.

Waarschijnlijk aangemoedigd door dit succes, probeert religieus rechts nu een tweede slag te slaan: er moet een einde komen aan de achterstelling van hetero’s op scholen in Texas. Elke publieke school met een vereniging voor studenten met een ‘alternatieve seksualiteit’ moet vergelijkbare faciliteiten bieden om ‘traditionele normen’ als heteroseksualiteit en het (heteroseksuele) huwelijk te promoten. De officiële motivatie is dat er zo een einde komt aan de zogenaamde achterstelling waar hetero’s nu onder zouden leiden. Maar de Jonge Republikeinen, een van de drijvende krachten achter het voorstel, zijn er eerlijk over dat ze een andere agenda hebben; door scholen met een organisatie voor niet-heteroseksuele studenten te dwingen er ook een voor hetero’s op te zetten – ook al zullen maar weinig mensen moeite hebben hetero’s te ontmoeten – worden ze op kosten gedreven.

De Jonge Republikeinen hopen zo een einde te maken aan studentenverenigingen van niet-hetero’s. Volgens hun vicevoorzitter Tony McDonald is het schandalig dat dergelijke verenigingen ‘mensen die zichzelf als homoseksueel beschouwen aanmoedigen dat blijven te doen’ en zouden ‘de belastingbetalers van Texas daar niet voor hoeven te betalen’. Blijkbaar denkt McDonald niet alleen dat Texaanse homo’s worden voorgetrokken maar dat ze zelfs geen belasting hoeven te betalen.

Aug 062011

Pensioen, het is meestal iets voor later, ver weg. Niet iets om bij stil te staan. Behalve als je er vlak voor staat, of ervan afhankelijk bent. Als die aanvulling op je AOW net dat beetje uitmaakt, zodat je niet steeds in hoeft te zitten over geld. Dat je op vakantie kunt gaan als je dat wilt of nog kunt. Dat je de kleinkinderen wat toe kunt stoppen als je daar zin in hebt. Maar die heisa over een pensioenakkoord….ach, de meesten zullen denken ‘het zal mijn tijd wel duren’.

Maar die heisa is er niet voor niets, natuurlijk. Het gaat wel ergens om. Om het geld van 10 miljoen mensen, totaal zo’n 830 miljard euro. Vorig jaar sloten vakbeweging en werkgevers al een raamakkoord dat in de contouren van een nieuw pensioensysteem voorzag, dat rekening hield met de gestegen levensverwachting en beter bestemd zou zijn tegen de risico’s van de financiële markten. Dat akkoord droeg al de kiem van een oneerlijke verdeling. Nu ligt de uitwerking ervan voor in een gedetailleerder memoradum, waarvan Peter Gortzak, de rechterhand van Agnes Jongerius en onderhandelaar met werkgevers, zei dat dit het maximaal haalbare was.

Al direct bestempelde FNV Bondgenoten (475.000 leden), ook onder druk van haar achterban, het onderhandelingsresultaat als onvoldoende. Abvakabo FNV (360.000 leden) volgde met een ‘Nee, tenzij’, waarbij de voorwaarden bestonden uit twee belangrijke punten: voor een 65-jarige moest uittreding met een AOW op het huidige niveau mogelijk blijven en de risico’s van de financiële markt mochten niet eenzijdig bij werknemers en gepensioneerden gelegd worden, werkgevers moesten meer meebetalen.

In dit akkoord komen de grootste werkgevers er beter uit en de laagstbetaalde werknemers, al dan niet met een zwaar beroep, slechter. Bovendien zet het jongere werknemers op tegen oudere en gepensioneerden voor een deel van de koek – dit terwijl we samen ervoor moeten zorgen dat die koek in de toekomst veel groter wordt. Dat kan door werkgevers, maar ook regering te dwingen andere keuzes te maken: voor werknemers in plaats van aandeelhouders, voor mensen in plaats van banken.

En daarmee is de opstelling van verschillende hoofdrolspelers rond dit pensioenakkoord ook verworden tot een ideologisch conflict. Gaan we afdwingen of blijven we doorpolderen? Voor Bondgenoten en Abvakabo wordt het vertrouwen op eigen kracht en die kracht weer opnieuw opbouwen, cruciaal Het is alleen met de werkelijke kracht vanaf de werkvloer dat je goede akkoorden of afspraken kan maken. De macht van het getal, het aantal leden dat je vertegenwoordigt, is niet de sleutel. Of die leden daadwerkelijk in de benen komen, daar gaat het om. Ook al heb je nog zo’n goede onderhandelaar, de werkgever of de werkgeversvereniging meet uiteindelijk inzet en bereidwilligheid af aan de te verwachten last, onrust en/of productieverlies. De mogelijkheid om echte kracht te ontwikkelen is de sleutel tot een eerlijke verdeling, niet alleen van pensioenen maar ook van lonen, van welvaart en van macht.

En die macht moet dus niet bij een paar vakbondsbonzen zitten, want macht corrumpeert. Ook in nu zie je de arrogantie van de macht de kop opsteken. Bij diegenen die menen voor velen te spreken, zonder werkelijk naar hen te luisteren. Of erger nog: zonder dat opgemerkt wordt dat velen niet bij stem zijn en er dus niet eens naar hen geluisterd kan worden. Mensen weer een stem geven is voor de komende tijd de opdracht, een stem zodat ze voor hun eigen belang op kunnen komen, samen en solidair. Steeds meer wordt duidelijk wie de rekening van de crisis betaalt en waar het geld daarvoor vandaan komt: de oudedagsvoorziening en de zorg aan chronisch zieken, verhoogd collegegeld en hogere woonlasten, minder openbaar vervoer en minder cultuur. En ga zo maar door. Op de derde dinsdag van september horen we vast meer. Maar hopelijk laten wij ook van ons horen, samenhorig en solidair.

Aug 032011

Wij leven in een wereld van overvloed. Er wordt, volgens gegevens van de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, op de wereld voedsel geproduceerd voor 12 miljard mensen terwijl er op onze planeet 7miljard mensen wonen. Het voedsel is er dus. Hoe komt het dan dat één op de zeven mensen op aarde honger lijdt?

De voedselcrisis die meer dan 10 miljoen mensen in de Hoorn van Afrika treft, plaatst weer eens een ramp op de agenda waar niets natuurlijks aan is. Droogte, overstromingen en gewapende conflicten dragen allemaal bij aan het verergeren van een situatie van extreme voedselkwetsbaarheid, maar zij zijn niet de enige factoren die deze verklaren.

De situatie van hongersnood in de Hoorn van Afrika is niet nieuw. In Somalië is al twintig jaar een situatie van voedselonzekerheid. En regelmatig worden wij als we comfortabel op de bank zitten door de media geïnformeerd over het dramatische effect van honger in de wereld. In 1984 stierven er bijna een miljoen mensen in Ethiopië; in 1992 stierven 300.000 Somaliërs van de honger; in 2005, balanceerden bijna vijf miljoen mensen op de rand van de dood in Malawi om maar enkele gevallen te noemen.

De honger is geen onvermijdelijk noodlot dat bepaalde landen treft. De oorzaken van de honger zijn politiek. Wie controleert de natuurlijke rijkdommen (grond, water, zaden) die voor de voedselproductie noodzakelijk zijn? Wie profiteren van het beleid op het vlak van de landbouw en voedsel? Vandaag de dag is voedsel vooral koopwaar en zijn hoofdfunctie, het voeden van mensen, is op de tweede plaats komen te staan.

De droogte met als gevolg het verlies van oogsten en vee wordt genoemd als één van de belangrijkste oorzaken van de hongersnood in de Hoorn van Afrika. Maar hoe is het te verklaren dat in landen als de Verenigde Staten of Australië, die perioden van sterke droogte kennen, geen extreme honger voorkomt? Blijkbaar kunnen meteorologische fenomenen de voedselproblemen verergeren, maar zijn ze onvoldoende om de oorzaken van de honger te verklaren. Voor de voedselproductie is zicht op de controle over de natuurlijke rijkdommen zeer belangrijk om te begrijpen wie er produceert en waarom.

In veel landen in de Hoorn van Afrika, is de toegang tot grond schaars. De massale aankoop van vruchtbare grond door buitenlandse investeerders (agroindustrie, overheden, speculatiefondsen) heeft duizenden landbouwers van hun grond verdreven en het vermogen van deze landen om zichzelf te voeden verminderd. Zo zien we dat, terwijl het wereldvoedselprogramma probeert om aan een miljoen vluchtelingen in Soedan voedsel te verstrekken, buitenlandse overheden (de Verenigde Arabische Emiraten, Koeweit, Korea) grond opkopen om voedsel voor hun eigen bevolking te produceren en uit te voeren.

Ook is het goed om in herinnering te brengen dat Somalië, ondanks de regelmatig terugkerende droogten, tot eind van de jaren zeventig zelfvoorzienend was wat betreft voedselproductie. Daar kwam pas de afgelopen decennia een einde aan. Het begon in de jaren ’80 toen Somalië door het Internationale Monetair Fonds en de Wereldbank een bepaald beleid werd opgelegd zodat het land zijn schuld aan de Club van Parijs (de rijke geïndustrialiseerde landen) kon afbetalen. Dat beleid hield in de toepassing van een reeks aanpassingsmaatregelen. Wat betreft de landbouw betekende het een beleid van commerciële liberalisering en het openen van hun markten voor de massale import van gesubsidieerde producten als rijst en tarwe van Noordamerikaanse en Europese agro-industriële multinationale ondernemingen die hun producten onder de kostprijs aanboden en zo de lokale producenten met valse concurrentie verdreven. De periodieke devaluaties van de Somalische munt leidden tot de stijging van de prijs van de kunstmest en de productie van monoculturen voor de export leidde tot een gestage trek van de bevolking weg van het platteland. Een vergelijkbare ontwikkeling deed zich niet alleen voor in landen in Afrika, maar ook in Latijns Amerika en Azië.

De prijsstijgingen van basisgranen is één van de elementen die genoemd worden als oorzaak van de hongersnood in de Hoorn van Afrika. In Somalië, steeg de prijs van maïs en rode sorghum respectievelijk met 106% en 180% in amper een jaar. In Ethiopië stegen de kosten van tarwe 85% in vergelijking met vorig jaar. En in Kenia bereikte de maïs een waarde 55% boven die van 2010. Die prijsstijgingen hebben het voedsel onbereikbaar gemaakt. Maar wat zijn de redenen van het stijgen van de prijzen? Er zijn allerlei aanwijzingen dat speculatie met de voedselgewassen één van de belangrijkste oorzaken is.

De prijs van voedsel wordt bepaald op de beurzen, de belangrijkste daarvan op wereldschaal is de beurs van Chicago, terwijl in Europa het voedsel vooral verhandeld wordt op de beurzen van Londen, Parijs, Amsterdam en Frankfurt. Tegenwoordig gaat het bij het grootste deel van de aankoop en verkoop niet om echte handel in producten. Er is uitgerekend dat, in de woorden van Mike Masters van het hedge fund Masters Capital Management, 75% van de financiële investeringen in de landbouwsector van speculatief karakter is. De grondstoffen worden gekocht en verkocht met de bedoeling om te speculeren en er in te handelen wat uiteindelijk leidt tot een verhoging van de prijs van voedsel voor de eindverbruiker. Dezelfde banken, hedge funds en verzekeringsmaatschappijen die de hypotheek crisis hebben veroorzaakt zijn nu met voedsel aan het speculeren, waarbij ze gebruik maken van de sterk gedereguleerde wereldmarkten waar een hoog rendement is te halen.

De voedselcrisis op wereldschaal en de hongersnood in de Hoorn van Afrika in het bijzonder zijn een gevolg van de globalisering van de voedselgewassen ten dienste van privé belangen. De keten van productie, distributie en consumptie van voedsel is in de handen van een klein aantal multinationale ondernemingen die hun belangen stellen boven het collectieve belang en die in de loop van de afgelopen decennia, met de steun van internationale financiële instellingen, de capaciteit van landen in het zuiden om over hun eigen landbouw- en voedsel beleid te beslissen hebben uitgehold.

Keren we terug naar de beginvraag. Waarom is er honger in een wereld van overvloed? De wereld voedselproductie is sinds de jaren zestig verdrievoudigd, terwijl de wereldbevolking in die periode slechts verdubbeld is. Wij hebben niet te maken met een probleem van voedselproductie, maar met een probleem van de toegang tot voedsel. Zoals Olivier de Schutter de speciale VN rapporteur voor voedselrechten in een interview in El Païs signaleerde: “Honger is een politiek probleem. Het is een kwestie van sociale rechtvaardigheid en beleid van herverdeling”.

Als wij de honger in de wereld willen beëindigen is het dringend noodzakelijk om tot een ander landbouw- en voedselbeleid te komen. Een beleid waarbij de mensen en hun behoeften, zij die de grond bewerken en het ecosysteem centraal staan. Er moet uitgegaan worden van wat de internationale boerenbeweging ‘Via campesina’ ‘voedsel soevereiniteit’ noemt. We moeten het beslissingsrecht over wat we eten terugveroveren. Om een van de bekendste leuzen van de beweging van 15 mei (de bezetters van pleinen in diverse Spaanse steden) te lenen: er is de noodzaak van een werkelijke democratie nu, in de landbouw en de voedselvoorziening

* Esther Vivas, van het studiescentrum voor sociale bewegingen van Universiteit Pompeu Fabra in Barcelona, is auteur van “Del campo al plato. Los circuitos de producción y distribución de alimentos.” Van het land op het bord, de keten van productie en distributie van voedsel.

Dit artikel verscheen op 30 – 7 -2011 in El Païs. Vertaling: Willem Bos/Grenzeloos.

Een zeer informatief interview met Olivier de Schutter is te vinden op: http://www.youtube.com/watch?v=rcV346OaBfI

Aug 012011

Een nieuwe Grenzeloos brochure. Een bundeling van artikelen en interviews die de afgelopen tijd in Grenzeloos verschenen over vakbondswerk met een inleiding van Rob Marijnissen.

Het rommelt in de vakbeweging. Met name in de grootste vakcentrale de FNV. Over de AOW en het pensioen zijn de meningen sterk verdeeld. Leiders van bonden en centrale staan scherp tegenover elkaar. Ook op andere punten zijn de meningen binnen de FNV verdeeld.

Op het laatste congres van de Abvakabo in mei 2010 was er sprake van een sterke oppositie tegen het zittende bestuur. De oppositie boekte een belangrijke overwinning en kreeg een deel van haar kandidaten gekozen in het hoofdbestuur. Inmiddels is de toen nipt herkozen Abvakabo FNV voorzitster Edith Snoey wegens meningsverschillen met de meerderheid van het bestuur opgestapt. Ook de positie van FNV voorzitster Agnes Jongerius is als gevolg van haar optreden rond de AOW en de pensioenen omstreden.

Er is duidelijk sprake van richtingenstrijd binnen de FNV. Wordt het doorpolderen of strijden tegen de vele verslechteringen die in gang zijn gezet. De vakbeweging staat voor een van de grootste uitdagingen in haar geschiedenis. De economische crisis zet door en de regeringspolitiek is er op gericht om de werknemers en uitkeringsgerechtigden voor de crisis te laten betalen. De vakbeweging zal haar achterban en haar potentiële achterban er in de praktijk van moeten overtuigen dat ze in deze situatie in staat is om effectief voor de belangen van de werknemers op te komen.

Ze moet dat doen vanuit een moeilijke situatie. De vakbeweging is de afgelopen decennia danig verzwakt en ofschoon er nog 1,9 miljoen Nederlanders lid zijn van een vakbond – waarvan 1,4 miljoen van een van de bonden van de FNV – is dat een aanzienlijk lager percentage van de beroepsbevolking dan tijdens de vorige grote crisis in de jaren tachtig. Daarbij kampen de bonden met een vergrijzend ledenbestand en blijft de groei onder jongeren laag. Die lage groei geldt ook voor leden uit minderheidsgroepen, mensen met flexibele contracten en mensen die parttime werken. Kortom de representativiteit van de vakbeweging staat ter discussie. Ze wordt door velen gezien als een bolwerk van oudere blanke mannen met een vaste baan. Daar komt bij dat de Nederlandse vakbeweging een sterke traditie heeft van samenwerking met overheid en werkgevers. De strijdtraditie is niet erg sterk ontwikkeld.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vakbeweging de grootste moeite heeft om haar verbale oppositie tegen het kabinet Rutte om te zetten in effectieve daden. Veel actieve vakbondsleden vragen zich af of de FNV leiding wel bereid is om werkelijk de strijd tegen de kabinetsplannen aan te gaan, of dat ze ook in dit geval vooral voor het overleg en het compromis gaat.

Veel vakbonds(kader)leden voelen wel voor een strijdbaardere opstelling van de bond, maar ook zij hebben vaak het gevoel gevangen te zitten in een vicieuze cirkel. De bond is voor veel mensen weinig aantrekkelijk omdat hij niet echt zichtbaar voor hun belangen opkomt. Dat geldt met name voor groepen als migranten, jongeren en flexwerkers. Aan de andere kant kan de bond ook moeilijk voor de belangen van deze groepen opkomen omdat ze zeer slecht georganiseerd zijn. Ook in meer traditionele sectoren en bedrijven is het verre van makkelijk om de vakbondskracht aan de basis in stand te houden en te versterken.

Over die problemen gaan de in deze brochure samengebrachte artikelen. Het uitgangspunt is dat de vakbeweging haar kracht uiteindelijk moet putten uit de basis; uit de organisatie, de activiteit en de strijdbaarheid van de leden. Er komen in deze brochure vakbonds(kader)leden aan het woord die in zeer verschillende omstandigheden proberen de kracht van de vakbeweging aan de basis te versterken. Zij vertellen over de ervaringen die ze daarmee de afgelopen jaren hebben opgedaan. De successen en de tekortkomingen.

Deze brochure pretendeert niet een soort handboek voor vakbondswerk aan de basis te zijn. Het geeft geen recepten voor succesvol organiseren. Wij geloven ook niet dat dergelijke recepten te geven zijn. De situatie in iedere sector en ieder bedrijf is verschillend en ook de aanpak van het vakbondswerk zal er verschillend zijn. Om dit werk succesvol te doen is een grote mate van creativiteit, inzet en doorzettingsvermogen noodzakelijk. De vakbondsmensen die in deze brochure aan het woord komen laten zien daar in ruime mate over te beschikken. We hopen dat hun ervaringen voor anderen een stimulans vormen in de opbouw van een sterke, strijdvaardige, veelkleurige en democratische vakbeweging. Want dat is wat we nodig hebben in deze tijden van crisis en bezuinigingen.

Willem Bos, Lot van Baaren, Ger Geldhof, Ko Hartman, Patrick van Klink, Kees de Leeuw, Rob Marijnissen en Bart Plaatje over: Vakbondswerk aan de basis. Prijs € 2.–. De brochure is te bestellen door € 3.50 over te maken op rekening 5571638 t.n.v. Grenzeloos o.v.v. bestelling ‘Vakbondswerk aan de basis’. Geef duidelijk aan op welk adres u de brochure wenst te ontvangen. Wilt u meerdere exemplaren bestellen neem dan even contact met ons op via info@grenzeloos.org.