Willem Bos

Aug 062011

De fasen van de crisis en de fasen van verzet

Okategoriserade Kommentering avstängd

De wereldwijde crisis die in 2007 begon met de instorting van de ‘subprime’-hypotheekmarkt in de VS doorloopt verschillende fasen, waarin hij steeds andere gedaanten aanneemt. Schematisch ziet dat er zo uit:

1. De financiële crisis, die ontbrandde met de ‘subprime’-crisis. Om deze crisis te bezweren werden er wereldwijd honderden miljarden in de banken en andere financiële instellingen gepompt, om zo te voorkomen dat het financiële systeem in elkaar zou storten.

2. De economische crisis. De banken vertrouwen elkaar niet meer en de kredietverlening stokt. Ondernemingen kunnen geen krediet meer krijgen, het consumentenvertrouwen daalt, de economie krimpt, bedrijven sluiten of reorganiseren en de werkloosheid neemt snel toe.

3. De crisis van de staatsfinanciën. Als gevolg van de steun aan de banken en door de gevolgen van de economische crisis (teruglopen van de belastinginkomsten, toename van de uitkeringen) groeit het begrotingstekort van de overheid snel. Om een verdere verdieping van de crisis te voorkomen, gaan de overheden extra geld uitgeven in het kader van stimuleringsprogramma’s. De overheidstekorten en de staatsschulden lopen daardoor nog verder op.

4. De eurocrisis. De landen in Europa met de zwakste economieën moeten steeds hogere rentes betalen voor hun staatsleningen. Door de combinatie van de verschillende economische dynamiek in diverse landen van de eurozone en het feit dat deze landen een gemeenschappelijke munt hebben – met wel een gemeenschappelijk monetair beleid, maar geen gemeenschappelijk economisch beleid – , groeien de sterkere en zwakkere landen steeds verder uit elkaar. Als gevolg daarvan komt de euro onder druk te staan.

Als bepaalde landen (Griekenland, Portugal, Ierland) dreigen hun schulden niet meer te kunnen betalen, wordt er vanuit Europa en het IMF bijgesprongen. Niet om de Grieken, de Portugezen en de Ieren te redden, maar om de Noord-Europese financiële instellingen te beschermen – met name Duitse en Franse banken die in die landen leningen hebben uitstaan.

5. Een sociale crisis. Om de geweldige begrotingstekorten terug te dringen, worden er draconische bezuinigingsprogramma’s doorgevoerd, waarbij vooral de overheidsdiensten en de uitkeringen, maar ook de pensioenen en andere voorzieningen het moeten ontgelden. Vooral in de zwakke economieën neemt de werkloosheid enorm toe. Als gevolg van de verarming daalt de binnenlandse consumptie en verslechtert de economie.

Deze politiek van afwentelen van de crisis op de gewone mensen, terwijl de veroorzakers ervan buiten schot blijven, leidt tot grote sociale onrust.

6. Een democratische crisis. Om de sociale onrust de kop in te drukken worden er steeds meer democratische procedures en organen feitelijk buitenspel gezet. Niet de regeringen of de nationale parlementen maar de EU en het IMF beslissen over het economische beleid van de landen die steun krijgen. En binnen de EU zijn er inmiddels vergevorderde plannen voor een centrale economische politiek, waarbij de door niemand gekozen en nauwelijks gecontroleerde instellingen van de EU een bepalende stem krijgen in het economisch en sociaal beleid van de lidstaten.

7. Een politieke crisis. Omdat zowel de traditionele rechtse partijen als de sociaaldemocraten verantwoordelijk zijn voor deze politiek, zoals ze ook verantwoordelijk zijn voor de neoliberale politiek die tot deze crisis heeft geleid, groeit de politieke crisis en krijgen zeker als de sociale strijd beperkt blijft de rechts-populisten veel ruimte voor hun nationalistische en xenofobe schijnoplossingen.

Met dit schema wil ik niet suggereren dat deze fasen achtereenvolgens worden doorlopen. Het is heel goed mogelijk dat er binnenkort een nieuwe financiële crisis op ons afkomt. De als zevende genoemde politieke crisis heeft ook belangrijke wortels die van vóór 2007 dateren en de neiging tot een ondemocratische versterking van de EU dateert ook van lang voor de crisis. In de praktijk zijn vaak elementen uit verschillende fasen tegelijk actief. Een dergelijk schema maakt wel duidelijk dat we niet te maken hebben met opeenvolgende verschillende crises, maar dat het gaat om een samenhangend geheel. Het maakt ook duidelijk dat er voorlopig geen einde aan, of oplossing van, de crisis in zicht is, zoals sommigen ons zo graag willen doen geloven.

Een constante factor in het geheel is de onderschikking van alles en iedereen aan de financiële markten. De krachten die deze crisis veroorzaakt hebben, krijgen ruim baan om hun verderfelijke praktijken door te zetten. Hun wil is wet, politici en beleidsmakers lopen zich het vuur uit de sloffen om het de financiële markten naar de zin te maken en het is uiteindelijk de bevolking die voor de gevolgen op moet draaien. Als ze een bepaald land geen geld willen lenen omdat ze de door hen veroorzaakte risico’s te groot vinden, worden ze gepaaid met garanties. Als banken dreigen om te vallen, worden ze gered om daarna weer hun vertrouwde speculatieve spel te kunnen spelen.

De enige manier om tot een oplossing van de crisis te komen, is het aanpakken van de almacht van het grote geld. Verzet tegen de bezuinigingen, tegen de afbraak, tegen de werkloosheid, tegen het afwentelen van de crisis op degenen die hem niet veroorzaakt hebben.

Fasen van verzet
Net als bij de crisis kunnen we ook bij het verzet tegen de crisis politiek verschillende fasen onderscheiden.

1. Stil protest. In eerste instantie is vaak sprake van stil protest van een deel van de bevolking. Men is het er niet mee eens, maar denkt dat het geen zin heeft om iets te ondernemen.

2. Protest per sector. Als de (bezuinigings)maatregelen concreter worden, ontstaan er in de meest getroffen sectoren vormen van protest. Er wordt geprotesteerd dat juist díe sector getroffen wordt en dat de betrokkenen niet of onvoldoende in de plannen zijn gekend. Dat protest kan heel gematigde of radicalere vormen aannemen.

3. Algemeen verzet. Een fase van algemener verzet tegen het totaal van de maatregelen treedt over het algemeen pas op als de gevolgen van het beleid er voor veel mensen echt in gaan hakken. Het verzet komt dan voor een groot deel van groepen buiten de bestaande linkse organisaties, partijen en vakbonden. Dat is niet verwonderlijk, gezien de rol die de traditionele ‘linkse’ partijen zowel uit sociaaldemocratische als uit groene hoek en de daarmee vaak formeel of informeel verbonden vakbonden spelen.

4. Duurzaam verzet. Een volgende fase wordt bereikt als het min of meer spontane verzet ook tot vormen van duurzame organisatie leidt, als mensen niet alleen in verzet komen maar zich ook duurzamer gaan organiseren en strategieën van verzet en alternatieven gaan uitwerken.

Ook bij het verzet geldt dat deze verschillende fasen niet perse in de hier gegeven volgorde worden doorlopen. Kleine groepen mensen kunnen al bezig zijn met het ontwikkelen van strategieën en alternatieven als er verder nog nauwelijks van algemeen verzet sprake is.

Overal in Europa (en elders) zien we dit verzet in vele vormen en gedaanten. In Nederland is het verzet nog zeer beperkt. Maar we zijn dan ook nog maar in zeer beperkte mate geraakt door de crisis. De echte afwenteling moet hier nog beginnen. Daarom is alles wat er nu al aan verzet wordt georganiseerd belangrijk als basis voor wat ons nog te wachten staat.

De vakbonden van overheidspersoneel organiseren op de maandag voor Prinsjesdag een manifestatie en demonstratie in Den Haag tegen de afbraak van de publieke sector. Verschillende andere organisaties, zoals de cliënten- en patiëntenorganisaties, hebben zich hierbij aangesloten. Het is te hopen dat nog meer organisaties dat gaan doen en dat dit het begin is van een nieuwe fase in het verzet.

Aug 062011

Wie is verantwoordelijk voor de Griekse tragedie?

Okategoriserade Kommentering avstängd

Voor De Jager, Wilders, de Telegraaf en de rest van wakker Nederland, hebben ‘de Grieken’ zelf schuld aan het sociale drama dat zich daar afspeelt. Het is de eigen luiheid en corruptie waar de Grieken nu de wrange vruchten van plukken. Die leugenachtige voorstelling van zaken is aan de hand van de feiten makkelijk te ontzenuwen, maar de vraag blijft wie dan wel de daders zijn. En kunnen we het zelfde niet elders ook verwachten?

Grieken werken gemiddeld meer uren per jaar dan andere Europese Unie burgers en ze gaan gemiddeld later met pensioen. Dat de arbeidsproductiviteit van de Grieken aanzienlijk onder het Europese gemiddelde ligt komt omdat ze met een sterk verouderd productieapparaat werken, niet vanwege de luiheid van Grieken. Ook het overheidsapparaat is in Griekenland niet buitensporig groot, het percentage ambtenaren is er vrijwel gelijk aan dat in Nederland. Hoe komt het dan dat de Griekse staatsschuld zo hoog is opgelopen?

In de eerste plaats is Griekenland, net als de andere landen in de periferie van Europa, de dupe van de ongelijkmatige economische ontwikkeling in Europa. Ze zijn de dupe van het export-succes van met name de Duitse economie gebaseerd op de lage lonen en de hoge arbeidsproductiviteit van de Duitsers. (Zie het artikel van Eric Toussaint elders in dit nummer.)

Maar bij het oplopen van het overheidstekort en de staatsschuld van Griekenland spelen nog een aantal andere factoren. Kijken we eerst naar de inkomsten. Er wordt in Griekenland weinig belasting betaald, dat klopt. En dan met name door de grote ondernemers. Er zijn daarover weinig betrouwbare cijfers beschikbaar, maar het is bekend dat Griekenland beschikt over één van de grootste handelsvloten ter wereld, goed voor 20 tot 40 procent van het totale wereldvolume. Door de schatrijke reders die deze duizenden schepen bezitten wordt geen of nauwelijks belasting betaald en dat geldt ook voor vele andere Griekse- of in Griekenland actieve bedrijven.

Wapens, spelen en corruptie

Over de uitgavekant van het Griekse staatshuishoudboekje valt ook het één en ander te zeggen. Ook hierover zijn geen erg harde cijfers te vinden maar aanwijzingen des te meer. Sinds begin jaren tachtig is Griekenland de grootste wapenimporteur in Europa en de vijfde van de wereld. Het land koopt jaarlijks voor zo’n zeven miljard euro aan wapens, hoofdzakelijk in Duitsland en Frankrijk. De Griekse aankopen vormden nog in 2010 13 procent van de totale Duitse wapenexport en 12 procent van de Franse wapenexport.

Nu wil het toeval dat de Griekse staatsschuld voor een groot deel in handen is van Duitse en Franse banken waarvan bekend is dat ze aanzienlijke belangen hebben in de wapenindustrie in hun land. Het zou dus heel goed kunnen dat dezelfde banken die Griekenland geld hebben geleend ook geprofiteerd hebben van de wapens die vervolgens van dat geld zijn gekocht. En is dat allemaal volgens de regels gegaan?

Griekenland is zoals bekend een land waar overheids corruptie niet onbekend is. Als dat op kleine schaal gebeurt, is het niet onaannemelijk dat het ook op grotere schaal plaatsvindt. Daarvoor zijn er ook de nodige aanwijzingen. Zo is er een onderzoek aan de gang naar de vraag waar de oud minister van Defensie Akis Tsochatzopoulus zijn miljoenenvilla van heeft betaald. De verdenking is dat hij miljoenen euro’s incasseerde in ruil voor een miljardendeal omtrent de aankoop van Duitse duikboten. In januari concludeerde een parlementaire onderzoekscommissie dat het Duitse bedrijf Siemens Griekse politici, partijen en ambtenaren voor naar schatting 100 miljoen euro heeft omgekocht, onder meer om de digitalisering van het Griekse telefoonnet in de jaren negentig te mogen doen.

Het zelfde Siemens wordt genoemd in verband met de Olympische spelen die in 2004 in Griekenland werden gehouden. Oorspronkelijk was er op de Griekse begroting twee miljard euro uitgetrokken voor dit evenement. Uiteindelijk heeft het de Grieken naar schatting maar liefst het tienvoudige gekost: twintig miljard. Siemens leverde de elektronische apparatuur voor het sportfestijn, en op die post waren er grote overschrijdingen. Ook andere bedrijven lijken door middel van corruptie enorm geprofiteerd te hebben van de Olympische miljoenen.

Debt audit

Het is dan ook niet verwonderlijk dat steeds meer Grieken zich afvragen waarom zij zouden moeten bloeden voor schulden van de staat waar zij geen enkele verantwoordelijkheid voor dragen en waarbij omkoping waarschijnlijk een belangrijke rol speelt. Er is dan ook een groeiende steun voor het voorstel voor het invoeren van een moratorium op het betalen van de schulden (en de rente over de schulden), gecombineerd met een onderzoek naar de herkomst van de schulden. Hoe zijn ze ontstaan, wie is welke verplichtingen aangegaan en waren die rechtmatig? Dat zijn vragen waarop steeds meer Grieken het antwoord willen weten.

De twee grote politieke partijen in Griekenland – die samen verantwoordelijk zijn voor het beleid van de afgelopen decennia – voelen natuurlijk niets voor een dergelijk onderzoek en ook de geldschieters willen er niets van weten. Maar onder de Grieken groeit de aanhang voor een dergelijke aanpak.

In verschillende Latijns Amerikaanse landen is ervaring opgedaan met een dergelijke ‘debt audit’ en in Ecuador leidde dat er in 2008 toe dat 70 procent van de buitenlandse schuld als onwettig werd aangemerkt en geschrapt.

Een dergelijke aanpak heeft grote voordelen ten opzichte van een ‘gewone’ herstructurering van de buitenlandse schuld. In het laatste geval is er sprake van een land dat niet in staat is de aangegane schulden te voldoen. In het eerste geval weigert het land de schulden te voldoen omdat ze die als onwettig beschouwt.

Dictatuur van de financiële markten

Zolang linksom of rechtsom de schulden van Griekenland niet voor een heel groot deel geannuleerd worden zakt het land steeds verder weg in het economische moeras. Meer dan de helft van de uitgaven van de Griekse staat bestaat nu al uit rente op de schuld. Door het draconische bezuinigingsprogramma zakt de Griekse economie steeds verder in.

Daarmee zit Griekenland nu in een zelfde situatie als die we kennen van landen met grote schulden in de Derde Wereld. Over de uitstaande schuld moet een flinke rente worden betaald. Alleen al om de rente te kunnen betalen moeten er steeds meer leningen worden afgesloten en zo wordt de schuldenlast steeds groter. Aan het verstrekken van leningen, ook de zo genoemde noodleningen van de Europese Unie en het Internationaal Monetair Fonds, wordt flink verdiend. De verstrekkers van de leningen en hun zaakwaarnemers (de EU, het IMF en de Europese Centrale Bank) leggen hun slachtoffer een moordend bezuinigingsprogramma op.

Wat we nu in Griekenland zien is een duidelijk een voorbeeld van de dictatuur van de financiële markten. De parlementaire democratie wordt niet afgeschaft, maar van zijn inhoud ontdaan. De belangrijke beslissingen worden gedicteerd door de financiële markten, en genomen door hun waterdragers. Het zelfde zagen we bij de Portugese verkiezingen van juni. De kiezers konden in alle vrijheid hun stem uitbrengen. Maar de twee grote partijen, de regerende Socialistische Partij en de rechtse PSDP, hadden wel beide van tevoren moeten beloven dat ze het dictaat van de financiële markten zouden accepteren. Ze moesten akkoord gaan met een nauwkeurig omschreven bezuinigingsprogramma – anders zouden ze niet in aanmerking komen voor de noodlening van 78 miljard euro.

Ook bij de met zo veel spanning gevolgde debatten in het Griekse parlement konden de ‘volksvertegenwoordigers’ in alle vrijheid debatteren en hun stem uitbrengen, maar als ze niet tegemoet zouden komen aan de wensen van de financiële markten zou de wraak van de markt genadeloos zijn, zo werd duidelijk gemaakt. Het zijn dus niet de kiezers of de volksvertegenwoordigers die de koers van het land bepalen, maar de door niemand gekozen bureaucraten van de EU, de Europese Centrale Bank en het IMF. ‘De soevereiniteit van Griekenland zal sterk beknot moeten worden’, zei Jean-Claude Juncker, sinds 2005 voorzitter van de eurogroep en minister-president van het belastingparadijs Luxemburg, nadat onder zijn leiding besloten was dat er 12 miljard euro van de toegezegde lening zou worden overgemaakt.

Griekenland is overal

Steeds meer Grieken realiseren zich dat de inzet van hun strijd niet beperkt is tot het behoud van hun levenspeil, de strijd tegen bittere armoede, maar uiteindelijk gaat om de vraag wie het in hun land voor het zeggen hebben: de corrupte politici en grote ondernemers, de buitenlandse bureaucraten of de Griekse bevolking zelf. In de rest van Europa is dat uiteindelijk niet anders. We bevinden ons in een algemene systeemcrisis van het kapitalisme. De precieze vorm die deze crisis aanneemt verschilt per land. Maar de manier waarop het kapitaal reageert is overal het zelfde: de bevolking moet opdraaien voor de crisis. Op dit moment ligt Griekenland het meest onder vuur, binnenkort kan dat een ander land zijn. Verspreid over Europa komt de bevolking in verzet tegen de bezuinigingspolitiek en de dictatuur van de financiële markten. Overal in Europa put men daarbij inspiratie uit het strijdbare verzet van de Grieken. Overal in Europa realiseert men zich: Griekenland is overal.

 

Jun 222011

Er lijkt in de Nederlandse politiek één punt te bestaan dat absoluut niet ter discussie staat, niet ter discussie mág staan: de noodzaak van bezuinigingen. Zelfs over de omvang van de bezuinigingen (zo’n 18 miljard) lijkt brede overeenstemming te bestaan. Maar in werkelijkheid is er in Nederland eerder te veel dan te weinig geld. Het is alleen in de verkeerde handen en er worden de verkeerde dingen mee gedaan.

‘Er is door de crisis en het redden van de banken een groot overheidstekort ontstaan en dat moet door bezuinigingen worden gedicht’, zo is de redenering. ‘Wij kunnen komende generaties niet opzadelen met een nog hogere staatsschuld, dus moeten we bezuinigen’, wordt er gezegd. Daarbij zijn de verwijzingen naar het gezinshuishoudboekje niet van de lucht. Maar is er echt te weinig geld? Laten we eens naar de feiten kijken.

In het NRC Handelsblad van 19 februari jongstleden stond een artikel onder de titel ‘De overnamekas van Nederlandse bedrijven zit tjokvol’. Daarin kwam de auteur met de, zoals hij  het zelf omschreef  ‘conservatieve’ schatting, dat de zestien grote AEX-fondsen (de grote multinationals) over een oorlogskas van 210 miljard beschikten. ‘Bij elkaar stegen de operationele winsten van de onderzochte bedrijven met ruim 30 procent’, en ‘de gezamenlijke kaspositie van de bedrijven bedroeg eind september vorige jaar 63 miljard euro, ruim 12 procent meer dan in eind 2009’, waar aan toe wordt gevoegd: ‘Voor heel 2010 zal dit bedrag nog verder zijn opgelopen, gelet op de reeds gepubliceerde jaarcijfers.’ ‘Wat te doen met al dat geld’, is dan ook de prangende vraag die als kop boven het artikel stond. Uit een onderzoek van de Universiteit van Utrecht in 2009 bleek dat multinationals in Nederland feitelijk geen belasting betalen. De Nederlandse schatkist loopt daardoor volgens de onderzoekers jaarlijks 16 miljard euro mis. Volgens het blad Quote bezitten de 500 rijkste Nederlanders gezamenlijk bijna 136 miljard euro (€135.588.000.000): 6,6 procent meer dan vorig jaar. Dat is meer dan 7,5 maal 18 miljard. Ons land kent volgens Quote 23 mensen die meer dan een miljard euro bezitten. De rijkste Nederlandse is Charlene de Carvalho Heineken die in 2002 4,3 miljard van haar vader de biermagnaat Freddy Heineken erfde – een vermogen dat volgens Forbes inmiddels aangegroeid is tot 5,4 miljard euro.

Ook de topsalarissen en bonussen in het bedrijfsleven zijn terug van nooit weggeweest. De topbestuurders kregen afgelopen jaar gemiddeld 16 procent meer dan het jaar daarvoor. Peter Vosser van Shell ging met 10,5 miljoen naar huis, Ad Scheepbouwer van KPN met bijna 8 miljoen en Hans Weijers van Akzo met iets meer dan 5 miljoen. Ook in de top van de banken wordt er weer met miljoenen gerekend.

Geld zat

Het probleem is dus niet dat er geen geld is, het probleem is dat het in de verkeerde handen is. Tegenover de publieke armoede staat een enorme privé rijkdom. Een paar grote bedrijven en een handjevol individuen bezitten astronomische hoeveelheden geld, terwijl iedereen te horen krijgt dat we allemaal een stapje terug moeten doen en er met name bezuinigd wordt op de mensen die toch al weinig te besteden hebben: de uitkeringsgerechtigden, Wajongers, mensen in de WSW, studenten enz.

De rijken worden rijker en de armen armer. Dat is een ontwikkeling die in zekere zin ingebakken zit in het kapitalisme. Wie bij geboorte al een paar miljoen mee krijgt heeft – als hij of zij het niet al te stom aanpakt – zijn hele leven, zonder daar iets voor te hoeven doen, een inkomstenbron om de vingers bij af te likken.

De afgelopen dertig jaar neoliberalisme heeft het mechanisme waardoor de rijken rijker en de armen armer worden verder versterkt. Na de stagnatie van de wereldeconomie in de jaren zeventig en tachtig werd er onder het mom van het werken aan economisch herstel een groot aantal maatregelen doorgevoerd die er op gericht waren om de winsten te verhogen. De lonen moesten laag blijven, de belastingen voor bedrijven gingen drastisch naar beneden en er moest zo weinig mogelijk geld naar de overheid.

Het gevolg was een stijging van de winsten. Omdat de investeringen echter bleven stagneren en de lonen laag bleven leidde dit tot een geweldig groei van de financiële sector en steeds grotere zeepbellen. Toen de zeepbel van de Amerikaanse hypotheken in 2007-2008 klapte werd de hele wereldeconomie meegesleurd in een crisis. Inmiddels is er weer van enig economisch herstel sprake, althans de winsten nemen weer toe. En daarmee dreigt het spel zich te herhalen. Want ook nu blijven de investeringen sterk achter bij de stijging van de winsten en blijven de lonen en de belastingafdracht van de bedrijven laag. Het geld hoopt zich dus op. Bij de grote bedrijven en bij individuele aandeelhouders.

Speculatie

Wat te doen met al dat geld?, is de vraag die NRC-Handelsblad zich terecht stelde. De rente is laag, het niveau van investeringen ook. Dus waar gaat dat geld naar toe? De rijken van deze wereld zullen het toch niet in een oude sok onder hun hemelbed bewaren? Nee, behalve voor de aankoop van  luxe producten, stukjes kust, goud en andere waardevolle zaken wordt er mee gespeculeerd. Bijvoorbeeld in voedselgewassen. De afgelopen periode hebben we een forse stijging gezien van de prijs van granen. Naast de verwachting van tegenvallende oogsten in verschillende delen van de wereld is dat vooral het gevolg van de speculatie. Wie op het juiste moment instapte op de graanmarkt en ook op het juiste moment weer wist te verkopen heeft enorme winsten kunnen maken. Die winsten worden uiteindelijk betaald door de consumenten. En dan worden met name de armen in de wereld die een groot deel van hun inkomen aan voedsel moeten besteden het zwaarst getroffen.

De opstanden in Noord Afrika en het Midden Oosten begonnen als protesten tegen de hoge voedselprijzen. Er is terecht veel te doen geweest over de wapens die door Nederland geleverd zijn aan de dictators in Noord Afrika en het Midden Oosten. Maar het inzetten van Nederlandse winsten om te speculeren op de voedselmarkt heeft waarschijnlijk over de hele wereld vele male meer doden veroorzaakt dan de Nederlandse wapens. Het aan banden leggen van deze praktijken zou een eerste prioriteit moeten zijn.

Verspilling

In het kader van de discussie over de ‘noodzakelijke’ bezuinigingen wordt er van allerlei zaken beargumenteerd dat ze niet efficiënt zijn, dat er verspilling plaatsvindt en dat het dus wel met minder overheidsgeld kan. Dat is natuurlijk allemaal onderdeel  van de campagne om de bezuinigingen acceptabel te maken en delen van de bevolking tegen elkaar uit te spelen. Maar zelfs als dat waar was, zelfs als al het geld voor onderwijs, zorg en gezondheidszorg over de balk werd gegooid, dan nog is het beter besteed dan als het bij de rijken blijft die ermee speculeren op de voedselmarkt, de oliemarkt, of welke markt dan ook, en zo extra geld naar zich toe weten te halen ten koste van de armsten in de wereld.

Natuurlijk zijn er allemaal posten op de rijksbegroting die daar zo snel mogelijk van af zouden moeten: de kosten voor de JSF en voor een groot deel van defensie in het algemeen, de kosten voor het koningshuis, allerlei subsidies voor grote bedrijven, topsalarissen bij de overheid en ga zo maar door. Maar die kunnen geschrapt omdat het gewoon verkeerd beleid is, niet omdat er bezuinigd moet worden.

Want er moet helemaal niet bezuinigd worden. Integendeel. Er zou enorm geïnvesteerd moeten worden in de publieke sector. Om de kaalslag van de afgelopen decennia te repareren, om eindelijk serieus te beginnen met de verduurzaming van de economie, om te zorgen voor een goede gastvrije opvang voor mensen van elders. Om het openbaar vervoer, het onderwijs, de zorg op orde te krijgen. Daar zijn tientallen miljarden extra voor nodig. Dat geld is er. Het is alleen in de verkeerde handen. Een beperkte belasting op bedrijfswinsten en vermogens is al genoeg om de eerste nood te lenigen. Op lange termijn zijn er natuurlijk meer structurele maatregelen nodig. Zoals het aanpakken van belastingparadijzen, een belasting op kapitaaltransacties en dergelijke. Maar kom niet aan met het verhaal dat er bezuinigd moet worden omdat het geld er niet is.

 

 

Jun 212011

 

Hoe combineer je het opbouwen van vakbondsmacht in het bedrijf met het werken in de Ondernemings Raad (OR) en andere medezeggenschapsorganen? Hoe zorg je dat de bond in het bedrijf sterk wordt, en blijft, en dat de mensen zich in de bond herkennen? Deze vragen staan centraal in deze laatste aflevering in de serie over vakbondswerk aan de basis. We spraken met Ko Hartman en Ger Geldhof, kaderleden van de Abvakabo bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf in Amsterdam.

‘Toen ik in 1983 actief kaderlid werd’, vertelt Ger, ‘was de voorzitter van de OR tevens secretaris van het Abvakabo groepsbestuur en de secretaris van de OR was ook voorzitter van het groepsbestuur. Als je het dus als vakbondslid niet eens was met het beleid van de OR en je ging naar de vakbond dan kwam je bij dezelfde mensen terecht. Daar hebben we rigoureus een einde aan gemaakt. Er zijn geen dubbelfuncties meer tussen de medezeggenschapsorganen (zie kader) en de structuren van de vakbond in het bedrijf. Ik ben namens de Abvakabo lid van de OR en – aangezien wij de grootste fractie hebben – ben ik ook voorzitter van de OR, maar ik moet doen wat de bedrijfsledengroep van de Abvakabo zegt. Ko is dus als voorzitter van het groepsbestuur van de Abvakabo mijn baas.’

Allemaal kandidaat

Die onderschikking van de Abvakabo-leden in de medezeggenschapsorganen aan de ledenvergadering van de bond is bij het GVB duidelijk geregeld. Ko: ‘Als er verkiezingen zijn voor de OR dan stellen wij alle kaderleden van de Abvakabo kandidaat. We gaan al die mensen af en laten ze een bereidverklaring ondertekenen waarin staat dat ze zich als OR-lid zullen houden aan de besluiten van de Abvakabo-ledenvergadering, of anders hun zetel beschikbaar zullen stellen. We hebben dan 140-150 kandidaten voor de OR die daarmee tot uitdrukking brengen dat ze achter die lijst staan. In de kadervergadering en vervolgens op de ledenvergadering wordt dan de volgorde van de lijst bepaald, waarbij wij ervoor zorgen dat de groepsbestuurders en de bestuurders van de bedrijfsledengroepen van de bond niet op een verkiesbare plaats staan.’

Ger: ‘Als iemand het niet eens is met wat de OR doet, dan kunnen ze dat bij Ko aan de orde stellen. Wij als OR-leden moeten steeds aan de kadergroep verantwoording afleggen. We regelen het ook zo dat  we ruim voor een OR-vergadering de verschillende bedrijfsledengroepen bij elkaar laten komen. Van hen willen we dan agendapunten horen voor de OR vergadering. Dat doen we ook in de afdelings-overleggen en de vestigings-overleggen. We willen werken met de steun van en voor de achterban. De achterbanstrategie noemen we dat. Dat is niet eenvoudig in een bedrijf met 4.000 weknemers, waarvan de helft lid is van de Abvakabo. Je kan die mensen niet allemaal spreken. Dus de kaderleden zijn de oren en de ogen van de bond. Als er iemand ergens loopt te kankeren dan roepen wij , ‘hé die moet kaderlid worden’. Dat geeft leven in de brouwerij, mensen die kritisch zijn op wat er gebeurt vragen we om te komen helpen, om het beter te maken. Niet alleen in het bedrijf, maar ook in de bond.’

Onze klotebond

‘Kijk’, gaat Ger verder, ‘De problemen liggen natuurlijk ook bij de bond. Heel vaak hebben mensen het gevoel dat  vakbondsbestuurders helemaal niet hun belangen vertegenwoordigen, dat de vakbondstop allerlei dingen doet die helemaal niet in ons belang zijn. Het is een ‘klotebond’, zeggen we vaak, maar het is wel onze klotebond. Daarom moet je ook in de bond proberen zaken te veranderen. Wij zijn als GVB-groep altijd heel actief geweest in de bond, in de afdeling Amsterdam, maar ook op landelijk vlak, maar dan moet je natuurlijk wel  zorgen dat je de steun van je achterban heb.’

‘En dat lukt alleen als je er steeds voor zorgt dat de kadergroep op orde is’, vult Ko hem aan. ‘Bij alle bedrijfsonderdelen hebben we een bedrijfsledengroep, dus bij de tram, de bus, de metro, het kantoorpersoneel, de technische diensten, de veiligheid, de kaartcontrole, en de veren. We hebben drie busgarages en daar zijn drie bedrijfsledengroepen. Al die groepen hebben hun voorzitter en secretaris, dat is je kweekvijver. Het GVB is een groot bedrijf en met die bedrijfsledengroepen proberen we de menselijke maat te houden. Al die groepen geven een ledenbulletin uit. In die bulletins  worden allerlei zaken aan de orde gesteld, in de taal van de werkvloer, en soms leidt een kritisch stuk in een bulletin al tot verandering.’

‘We proberen ook vooral vrouwen en jongeren er bij te betreken. En het personeelsbestand van het GVB bestaat uit een verscheidenheid van nationaliteiten, dat zijn allang niet meer allemaal  Jannen en Pieten en die verscheidenheid willen we ook in onze kadergroep hebben. Daarbij is de persoonlijke benadering van mensen het belangrijkste. Niks gebeurt vanuit kantoor, alles moet je op de werkvloer doen. Ook het werven van leden. We hebben ook een vijftiental individuele belangenbehartigers van de bond in het bedrijf. Die houden zich bezig met belangenbehartiging bij  allerlei verschillende zaken. Ook dat is hartstikke belangrijk om als bond iets voor de mensen te betekenen en ze er bij te betrekken. Daarmee ben je ook zichtbaar, mensen komen op je af om allerlei dingen te vragen, hoe zit dat, hoe is die regeling, heb ik daar recht op of niet. Zo bouw je contacten op.’

‘Het is ook wel lastig’, gaat hij verder, ‘want je moet steeds schakelen tussen die verschillende niveaus. Je moet altijd heel strategisch denken. Wanneer doen we dit en waar stellen we dat aan de orde, moet de OR zich er mee bezig houden of moeten we als kadergroep actie ondernemen. En vooral: hoe blijven we de achterban er bij betrekken?’

Oppositie

Dat het niet altijd lukt om de hele achterban mee te krijgen bleek bij de laatste OR-verkiezingen in 2009. Een kritische groep GVBers kwam toen met een ‘vrije lijst’ en haalde vier van de 21 zetels in de OR. De lijst van de Abvakabo kreeg er 14 terwijl er categorale Algemene Bond van Gemeente Personeel (ABPG) er drie kreeg. Die vrije lijst voerde vooral campagne tegen de Abvakabo met het verhaal dat die niets had gedaan om de privatisering van het GVB tegen te gaan. ‘Dat deed best wel pijn’, erkent Ger. ‘Wat zij vertelde klopte van geen kant, wij hebben al het mogelijke gedaan om een privatisering van het GVB tegen te gaan en toen door een wetswijziging de verzelfstandiging niet meer tegen te houden was hebben we er voor gezorgd dat het GVB één geheel zou blijven. Alle stappen in dat proces zijn uitvoerig in ledenvergaderingen en personeelsvergaderingen besproken en overal hebben we toestemming voor gekregen. Maar toch is dat verhaal bij een deel van de achterban dus niet overgekomen. De fractie van die vrije lijst is inmiddels weer uit elkaar gevallen, maar voor ons was het een belangrijk signaal.’

‘In de OR’, vervolgt hij, ‘proberen we altijd tot een consensus te komen. Wij hebben als Abvokabo een tweederde meerderheid dus we kunnen in ons eentje uitmaken wat we doen, maar daar zijn we absoluut niet op uit. We blijven discussiëren tot we er uit zijn. Ik denk dat we de afgelopen drie jaar één of twee keer hebben moeten stemmen. We hebben een fractie met fractiediscipline, zoals dat ook in de politiek gebruikelijk is. Dat betekent ook dat we het Abvakabo-beleid verdedigen.’ ‘En’, voegt hij daar lachend aan toe, ‘omdat we het bondsbeleid niet altijd onderschrijven zijn we met zijn allen ook hartstikke actief om te proberen dat beleid te veranderen’. ‘Maar, vult Ko aan, ‘Dat lukt natuurlijk alleen als we ervoor zorgen dat we zelf in ons eigen bedrijf de mensen achter ons hebben staan, dat we verwoorden wat daar leeft.’

Jun 182011

Van alle kanten wordt het ons voorgehouden: we zitten in een periode van economisch herstel. Het gaat langzaam, het is nog broos, maar de weg uit het dal is weer gevonden. Om de rijksbegroting op orde te brengen en de staatsschuld terug te dringen, moeten er pijnlijke bezuinigingen worden doorgevoerd. Maar afgezien daarvan gaat het economisch langzaam vooruit. Dat is het verhaal. Helaas ziet het er in werkelijkheid heel wat minder rooskleurig uit.Economen, analisten en andere ‘deskundigen’ onderbouwen hun (gematigd) optimisme met cijfers. Veel cijfers. Het probleem is echter dat die cijfers bijna allemaal betrekking hebben op het herstel van de winstgevendheid van bedrijven, of de daarop gebaseerde stijging van de aandelenkoersen. Bij het opvoeren van dergelijke cijfers als indicatie van economisch herstel gaat men er impliciet van uit dat de winstgevendheid van bedrijven een indicatie is van het herstel van de economie in zijn geheel. Maar de ontwikkeling van de afgelopen decennia laat nu juist zien dat dat helemaal niet het geval is.

 

Meer winst leidt tot meer investeringen, tot meer werkgelegenheid, tot economische herstel: dat was in het begin van de jaren tachtig al het verhaal. De geschiedenis heeft laten zien dat het in werkelijkheid toch iets anders in elkaar zit. De winsten gingen inderdaad vanaf de jaren tachtig omhoog, maar de investeringen bleven daar sterk bij achter. Vooral de grote multinationale bedrijven verplaatsten hun productie naar lagelonenlanden en de lonen in het westen stagneerde. De gestegen winsten leidden vooral tot een enorme groei van de financiële sector. Toen de zeepbel van de Amerikaanse subprime-hypotheken klapte, kwam in een klap het speculatieve karakter van de hele internationale financiële sector bloot te liggen en moest alles uit de kast worden gehaald om de ineenstorting daarvan te voorkomen.

 

De financiële crisis leidde tot een economische crisis, de economische crisis tot een landencrisis. En terwijl die laatste nog voortduurt en zich steeds verder verscherpt, hebben de ‘deskundigen’ het al over een voorzichtig herstel. Maar over herstel van wat hebben we het dan? Laten we een onverdachte bron citeren: het ultra liberale Britse blad The Economist. In het nummer van 24 maart schreef dit gezaghebbende blad: ”Het bedrijfsleven doet het goed. Zelfs als we de banken buiten beschouwing laten stegen de winsten van de 500 grootste bedrijven in de wereld het afgelopen jaar met gemiddeld 18,7%, volgens Morgan Stanley.” “Maar”, zo gaat de Economist verder, “deze winst komt bijna uitsluitend terecht bij de kapitaalbezitters en niet bij de arbeiders. In de VS is de totale loonsom sinds het begin van het herstel met $ 168 miljard gestegen, maar dat wordt volledig ingehaald door een stijging van de winsten met een stijging van $ 528 miljard.” In Europa is het niet anders. The Economist geeft voor Duitsland de cijfers van winsttoename met € 113 miljard tegenover € 36 miljard voor de lonen. In Groot-Brittannië is het verschil nog groter daar gaat het om respectievelijk 14 miljard en 2 miljard pond. En in Nederland is het niet veel anders.

Wat gebeurt er met die toegenomen winsten? In het SP-blad Spanning van april heb ik de CBS cijfers van de winsten en de investeringen naast elkaar gezet. Dan blijkt dat terwijl ook in Nederland de winsten flink stijgen, de investeringen juist dalen. Kortom, er wordt weer een flinke financiële bubbel opgeblazen. De privé-vermogens en de reserves van bedrijven stijgen, de collectieve armoede neemt toe.

In dat kader moeten we kijken naar de politiek van het kabinet Rutte. De keuze is duidelijk: de winsten en vermogens moeten ongestoord kunnen groeien. Nog nooit is de winst- en de vermogensbelasting in Nederland zo laag geweest. Ondertussen moeten de lonen op de nullijn en worden de sociale voorzieningen afgebroken: van het openbaar vervoer tot de brandweer, van de zorg tot het onderwijs. De gewone mensen moeten de buikriem aanhalen, opdat de wisten kunnen blijven groeien. Het economische effect van het bezuinigingsprogramma van het kabinet is niet moeilijk te voorspellen. Er zullen grote groepen mensen in de collectieve sector op straat komen te staan. De koopkracht van vooral de minder draagkrachtigen zal dalen en de binnenlandse consumptie zal daardoor afnemen. Het midden- en kleinbedrijf zal daar onder leiden, wat weer extra banen kost. En ondertussen zijn alle factoren die tot de crisis van 2008 hebben geleid weer volop aan het werk en is het wachten op de volgende klap.

Nog een klein puntje om de moed er in te houden. De afgelopen weken werd bekend dat de wereldwijde CO2 uitstoot het afgelopen jaar groter was dan ooit, en dat daarmee de kans dat de opwarming van de aarde onder de 2 graden Celsius zal blijven waarschijnlijk verkeken is. Dat betekent dat we op termijn afstevenen op een klimaatcrisis van ongekende omvang. Maar gelukkig, de winsten van Shell, Unilever en Akzo en al die andere grote jongens zijn weer flink gestegen en ook met de banken gaat het best wel goed. Gaat u rustig slapen, en geniet van het mooie weer.

Dit artikel verscheen eerder op konfrontatie.nl

Apr 072011

Linkse eenheid

Okategoriserade Kommentering avstängd

We hebben de meest rechtse regering sinds mensenheugenis en links lijkt er machteloos en  verdeeld naar te kijken. De termen links en rechts in de politiek zijn weer terug. Die begrippen worden vaak ideologisch geduid. Rechts vindt dat je de samenleving beter zus in kan richten en links opteert voor zo. En gelukkig leven we in een democratie, dus de kiezer mag uitmaken hoe en wat. In werkelijkheid staan de begrippen links en rechts voor verschillende belangen. Rechts voor die van de bezitters die er belang bij hebben dat hun bezit in stand blijft en verder groeit. Links, als het goed is, voor de belangen van degenen die voor die groei moeten opdraaien, maar zelf van serieuze bezitsvorming zijn uitgesloten.

Rutte heeft gelijk. Zijn kabinet is er een waarbij rechts de vingers af kan likken. Ondanks, of eigenlijk dankzij, de crisis gaat het beter dan ooit met bezittend Nederland. De 500 rijkste Nederlanders bezitten volgens het blad Quote nu gezamenlijk een kleine 136 miljard euro, 6,6 procent meer dan vorig jaar. De tien procent meest vermogenden in Nederland hebben samen ruim 700 miljard euro en hun vermogen is de afgelopen tijd twee maal zo snel gestegen als het nationaal inkomen. Wat Rutte en zijn ploeg betreft moet die ontwikkeling doorgaan. De crisis heeft geleid tot een flink tekort op de rijksbegroting en dat wordt aangepakt door fors te bezuinigen op uitkeringen, ambtenaren, openbaar vervoer, zorg en onderwijs. Er zijn vele groepen die daar de dupe van zijn, maar één groep blijft angstvallig buiten schot: de mensen met een ruim vermogen. Zelfs aan de hypotheekrente mag niet getornd worden.

Rechts heeft alle reden om zijn vingers af te likken. En links……

Parlementair links had zo graag meegeregeerd om te laten zien dat het eerlijker en socialer kan. Parlementair links roept dat er minder en vooral anders bezuinigd moet worden, dat de pijn eerlijker moet worden verdeeld. Dat geeft het gevoel dat als je niet door de hond gebeten wil worden, je je maar tot de kat moet wenden.

Links moet zichzelf weer opnieuw uitvinden. Niet alleen ideologisch, met een nieuw verhaal, een nieuwe visie, maar ook praktisch. Links moet consequent opkomen voor iedereen die gepakt wordt door de bezuinigingswoede van Rutte. Links moet al die groepen die gepakt worden door het kabinet inspireren om zich daar tegen te verzetten. En links moet ondanks de bestaande verdeeldheid gezamenlijk optreden om dat verzet te steunen.

Zo’n nieuwe offensieve lijn van links komt er niet zo maar. Er moet keihard gewerkt worden om dat mogelijk te maken, zo niet af te dwingen. Dat is wat we in Amsterdam proberen te doen met het Steuncomité Sociale Strijd. Dat comité werd meer dan een jaar geleden op initiatief van mensen van Grenzeloos en Doorbraak opgericht als Comité Steun de Schoonmakers. Daarna gingen we door met steun voor de staking bij de reiniging, de WSW en het GVB. En in plaats van in elkaar te zakken na het einde van de staking van de schoonmakers, is het comité alleen maar sterker en breder geworden. Op 1 mei organiseren we een manifestatie op het Beursplein, onder de leus: ‘Tegen bezuinigingen, voor een sociaal beleid’. Die manifestatie wordt inmiddels door 25 organisaties ondersteund. De plaatselijke afdelingen van de twee grote vakbonden van het FNV: Bondgenoten en AbvaKabo, van de drie parlementaire partijen PvdA, SP en GroenLinks en hun jongerenorganisaties, een groot aantal migrantenorganisaties en vele anderen. De nadruk zal liggen op de strijd tegen het bezuinigingsbeleid. Er zal gesproken worden door schoonmakers, buschauffeurs, brandweerlieden mensen uit het speciaal onderwijs en andere sectoren die als het aan het kabinet ligt op moeten draaien voor de crisis.

Ik denk niet dat Rutte er wakker van zal liggen, want deze ene zwaluw maakt nog lang geen zomer. Maar het is wel een voorbeeld van de eenheid van links die we nodig hebben. En die dus ook mogelijk blijkt te zijn.

Dit artikel verscheen eerder als column in Konfrontatie

Apr 302010

The SP at a crossroads

Engelska Kommentering avstängd
Things are not going well for the Dutch Socialist Party. During the last municipal elections in March the party suffered a defeat, the first time it lost in an election. The SP is the only party in the Netherlands that has always criticized neoliberalism – but now that model has stranded, the party suffers it biggest setback in its history. This makes a discussion about the party and its course more necessary than ever. - IV423 - April 2010 /